Routeverhalen Veluwe

Zandgraaf van de Veluwe

Op 8 oktober 1642 raasde een enorm heftige storm overhet buurtschap Voluwe, gelegen tussen Nunspeet enVierhouten. De krachtige wind hieldt bijna drie dagenaan. De vlakbij gelegen Zuiderzee geeft de wind alleruimte om haar vernietigende werk te doen. Naast debedreiging van het opgestuwde water van de Zuiderzeetegen de zandgronden, werd het buurtschap Voluwevooral geteisterd door zand. Voluwe veranderde compleet in een dorp van zand. Voor de storm stonden vijftien plaggenhutten en vijf houtenhuisjes in het gebied.Windsnelheden van meer dan honderdtwintig kilometerper uur veroorzaakten dat akkers, weiden, wegen, bomen en huizen bedekt werden onder een zandlaag van bijna twee meter hoog. Het zand liet zich tijdens de storm niet stoppen. Het drong gemakkelijk de hutten, schuren en huizen binnen. Zesendertig doden waren na de storm te betreuren in Voluwe. Het merendeel van de inwoners is door verstikking om het leven gekomen.

“Mijn ouders konden met veel geluk ontsnappen aandit natuurgeweld in Voluwe. Zij wisten als één vande weinigen, ons gezin met zes kinderen te redden.Na een dag in de plaggenhut begreep mijn vader datwe niet langer konden blijven. Hij bracht ons naar eenhoger gelegen schuilplaats. Een uitkijktoren, die hijeen maand eerder had helpen bouwen, diende alsschuilplaats. Boven in, de heftig zwiepende uitkijktoren,wisten wij de storm te overleven. Helaas verlorenwe al ons vee: twee koeien, vierenzestig schapen,drie ganzen, een paard en twaalf kippen.

Mijn naam is Arthuur van Duinen, ik ben boer en woonnu met mijn eigen gezin in het dorpje Hulshorst. Na de storm zijn mijn ouders nooit meer teruggekeerd.De herinneringen waren te pijnlijk. Deze storm heeft opmij een alles bepalende indruk achtergelaten. Voluweis nooit meer herbouwd. Het is verdwenen en vergetenonder een metershoge zandlaag.”

In de zeventiende eeuw zijn de meeste bewoners opde Veluwe arme boeren die leven op de zandgronden.Vaak grote gezinnen in schamele plaggenhutten.Door ontbossing, onder andere veroorzaakt door deboeren, konden bomen geen zand en voedingsstoffenmeer vasthouden met hun wortels. Met het afbrandenen afplaggen van de heide viel ook die beschermingweg. Zo ontstonden door de wind grote zandverstui-vingen. Enorme hoeveelheden zand werden door dewind meegevoerd en begonnen landbouwgronden enboerderijen te bedekken. De heideplaggen die nodigwaren voor de potstallen konden niet meer in de buurtworden gestoken. Ze moesten van steeds verderworden gehaald. De Veluwe dreigde van Harderwijktot ver na Nunspeet onbewoonbaar te worden.Het was bijna veranderd in één grote zandwoestijn.

“Wij Veluwse boeren bewerken onze akkers en houdenvee voor eigen gebruik. ‘s Winters houden we het vee inonze potstallen. Dat zijn stallen waar de mest niet wordtweggehaald, maar regelmatig bedekt wordt met heideplaggen. Na de winter worden de akkers bemest methet vruchtbare mengsel van mest, stro en heideplaggenuit onze potstal. Zo kunnen we de arme zandgrondennog enigszins vruchtbaar maken. Als we niet genoegmest hebben gebruiken wij zelfs mos en bladeren uithet bos als meststof. Het land bemesten we soms ookmet ondermaatse vis, afkomstig van de visafslagen vanHarderwijk of Bad Hoophuizen. Het leven is voor onsboeren op de Veluwe zwaar. Ik heb het geluk dat mijnvrouw en vier kinderen gezond zijn en slechts zeldenziek. Als het nodig is krijgen we hulp van de buren enals de buren hulp nodig hebben zijn wij er voor hen.Over Nederland wordt verteld dat het altijd heeft moeten vechten tegen het water. Dat is ook waar. Maar voor de meeste bewoners van de Veluwe en andere zandgebieden zijn de vele zandstormen een groter gevaar geweest. Omdat boeren op steeds grotere schaal land begonnen te ontginnen, betekende dit dat bossen werden gerooid en de heidevelden verdwenen. Door het tekort aan meststoffen leveren de schrale ontgonnen zangronden maar weinig op.

Ook de handelswegen over de Veluwe waren berucht om het stuifzand en de zandduinen. Aan de andere kant boden deze zandduinen, als de vroegere Nunspeterberg, een adembenemend uitzicht over het Noord-Veluwse duinenlandschap en de Zuiderzee.Bovenop de Nunspeterberg stond een klein houten kerkje. Als ik deze 110 meter hoge ‘berg’ naar het kerkje beklom, kwam ik langs plekken die vol stonden met schamele hutten en troosteloze huisjes. De weg kende vijf beekovergangen, zoals de Bijsselse Beek en de Pangelse Beek, waarvan de bruggetjes bestaan uit omgehakte boomstammen zonder leuning. Het water was zo schoon dat je het kon drinken en de vissen kon zien zwemmen. Bij bijna elk huisje hing gedroogde vis. Het contrast was schrijnend. De schoonheid van het oude stuifduinenlandschap en de armoede van de mensen die hier woonden.

Mijn angst voor de alles vernietigende zandstormenbleef mij bezig houden. Ik experimenteerde met het aanleggen van kunstmatige zandweringen als santvreedes rond mijn boerderij. De wind tastte telkens weer de door mij aangelegde zandruggen aan. Als ik de weringen liet begroeien met diverse soorten struiken en bomen blijken ze steviger en stormvast te zijn.Het nieuws verspreidde zich snel. Arthuur van Duinenheeft ‘Een oplossing tegen zandstormen‘. De gezag-hebbers van Harderwijk, Hulshorst en Nunspeet nodigen mij uit voor uitleg en advies. Ze vonden mijn oplossingen echter te tijdrovend en te kostbaar.

Een jaar later na het bekend worden van mijn ‘uitvinding’, vonden een paar incidenten achter elkaar plaats:Tijdens een zandstorm in november 1649 reed eenpostkoets zich vast in een zandduin bij het Hulshorsterzand. Vier belangrijke kooplieden uit Harderwijk komentijdens deze zandstorm om het leven. Vier weken laterwaren bijna alle wegen op de Veluwe onbegaanbaar door de vele nieuwe zandduinen. Dan in januari 1650, raast weer een enorme zandstorm over de Veluwe. De wind had vrij spel op het kale en droge duin landschap. Vele duinen verwaaiden, ook de Nunspeterbergverdween in een kort tijdsbestek bijna grotendeels uithet landschap. De kerk op de berg stortte hierdoor in.Gelukkig kwamen geen mensen om, maar de impactop de inwoners en gezagsdragers was enorm.”

“Twee maanden later werd ik, Arthuur van Duinen,door het Centraal Gezag van Gelre aangesteld als Zandgraaf van de Veluwe. Mijn hoofdtaak is inwoners van deVeluwe te beschermen door voldoende beschuttingtegen het oprukkende zand te bieden. Door aanplantvan duizenden bomen, probeerde ik het zand de baas teworden. Direct begon ik met de aanplant, alleen haddenwe een groot tekort aan bruikbare jonge aanplant.Tussen Harderwijk en Hierden liet ik daarom boom-kwekerijen aanleggen. Met wel 600 arbeiders ben ikals Zandgraaf verreweg de grootste werkgever van deregio geworden. Door de prachtige aanblik op de velebomenlanen wordt deze buurt nu ook wel Frankrijkgenoemd. Als je goed oplet kun je op diverse plekkennu nog restanten van mijn oude kwekerijen ontdekken.De aanleg van de zandruggen en de duizenden bomenhebben gezorgd dat de inwoners op de Veluwe weerwat veiliger konden wonen. Boeren uit de omgevinghielpen mij bij de aanleg. Bijna alle dorpen en buurtschappen wisten we te beschermen tegen de oprukkende zandvlaktes. Zo kwam ik ook aan mijn bijnaam: ‘Zandgraaf van de Veluwe’.”

Nu, driehonderdvijftig jaar later, is de Veluwe hetgrootste aaneengesloten bosgebied van Nederland.Bijzonder om te zien is dat de bomen nu weer wordengekapt om het zand weer meer ruimte te geven. De mens blijft pogingen doen de natuur helemaal naar zijn hand te zetten, zonder te beseffen dat die natuur zich nooit laat temmen.Onze strijd tegen het zand is blijkbaar vergeten, evenalsde vele slachtoffers die dat heeft gekost. Het heeft debewoners op de Veluwe gevormd. ‘Wij staan met dekont in de wind’. Daarmee bedoelen we Wij laten onsniet zomaar aan de kant zetten. Als u nu een wat ingetogen Veluwenaar tegenkomt weet u dat hij gevormd isdoor het zand.

Heksenjager van Nunspeet

Verandering van het klimaat leidde eind van het jaar1670 tot een reeks van misoogsten, met ondervoedingen hongersnood tot gevolg. Ook de bevolking op deVeluwe werd geteisterd door verschillende epidemieën.Het gevolg was vele doden en verminderde vruchtbaarheid. Dat leidde tot ontvolking van grote delen van deVeluwe. Het gezin van Arthuur van Nunen werd eveneens slachtoffer van een epidemie. Zijn vrouw en alleacht kinderen stierven binnen een jaar.

“Naast mijn eigen gezinsdrama zie ik veel ellende ommij heen. Bijna alle gezinnen in Nunspeet zijn getroffen.Vooral veel jonge kinderen overlijden. Degene die nogde energie en mogelijkheden hebben, trekken weg vande Veluwe naar andere delen van het land. Ik, Arthuurvan Nunen heb ook overwogen te vertrekken, maarik kan het niet. Waarom overkomt ons zoveel ellende,vraag ik me af? Iemand moet toch voor dit onheilverantwoordelijk zijn? Op een dag hoor ik een verhaalvertellen over hekserij. Volgens de verteller bestaat ereen geheime sekte waarvan de leden heksen zijn.Zij hebben een pact met de duivel gesloten. Dit met debedoeling om behalve individuen ook de samenlevingals geheel in het verderf te storten. Door onheilen alsonweer, stormen, lage temperaturen en overvloedigeregen worden misoogsten veroorzaakt, met als gevolghongersnood, epidemieën, dood en onvruchtbaarheidvan mensen en vee.

Dit verhaal laat mij niet meer los en zal mijn verdereleven beïnvloeden. Ik raak overtuigd dat dit heksengebroed moet worden opgespoord en bestraft. Ik besloot:hier wil ik mij de rest van mijn leven aan wijden.Een strijd, die ik hoe dan ook van plan ben te winnen.Ik ga daarom een studie volgen bij een heksenkenner inLeuvenum. Hier leer ik ‘De Malleus Maleficarum.’Het handboek voor heksenjagers kennen. Ik lees hetboek zo intensief dat ik het bijna letterlijk kan navertellen. Mijn gedrevenheid en kennis leidden in 1676 ertoedat ik word aangesteld als inquisiteur voor het districtVeluwe. Ik vestig mijn uitvalsbasis op kasteel Staverden. Op dit landgoed worden witte pauwen gehouden,niet alleen voor de sier maar ook om duivelse krachtenvan heksen en de duivel te weren. Daarom heb ik inde buurt van Elspeet een fokkerij voor witte pauwenopgezet. Belangrijke gebouwen zoals, kerken, kastelen,vestingmuren en ambtswoningen krijgen beschermingdoor de aanwezigheid van witte pauwen.”

“In Elspeet woont een aantal vrome vrouwen, die zovroom leven dat het ze verdacht maakt. Ze moeten watmij betreft wel wat te verbergen hebben. Ik heb ze opverdenking van hekserij voor een tribunaal in Vierhouten gesleept. We hebben ze laten wegen en het gewichtkomt overeen met het heksengewicht uit de boeken.Alle vier de vrouwen worden ter dood veroordeeld doorverbranding op de brandstapel in Vierhouten.Zo weet ik samen met mijn team van vijf heksenjagers,in vier jaar tijd, ruim vijftig heksen op te sporen op deVeluwe. Allemaal worden ze berecht tot de brandstapel.De meeste heksen zijn oudere vrouwen, die alleen enbuiten de dorpen wonen. We hebben ook twee mannenvoor hekserij laten berechten. Ze zijn betrapt op hetvangen van zes witte pauwen. De mannen beweerdendat ze waren gestolen voor het geld. Zij zijn niet tot debrandstapel veroordeeld, het heeft ze alleen maar eenrechterhand gekost.”

Heksen komen op de Veluwe opvallend veel voor.Misschien veroorzaakt door de aanwezigheid van devele bossen, als het Speulderbos. Ik herken een heksdirect en mijn gevoel laat mij hierbij nooit in de steek.Ik heb er voelsprieten voor ontwikkeld, waarmee ikbinnen seconden weet of het om een heks gaat of niet.Het Gelres gezag heeft het volste vertrouwen in mij,ze vinden dat ik het werk als heksenjager prima uitoefen. Ik heb zelfs een ridderorde ontvangen toen ik mijnhonderdvijftigste heks had gevangen. Het vangen vanheksen ging mij niet snel genoeg. Bij Elspeet heb ikdaarom twee kampen opgericht, de Grote Kolonie ende Kleine Kolonie. De namen geven de grootte van hetkamp aan. In het Kleine Kamp verblijven vijftig heksenplus honderd zwarte katten. Zwarte katten zijn heksendie zich hebben omgetoverd in een kat.

Als gevolg van de ontbossing, door onder andereboeren hebben we vaak gebrek aan hout om voldoendebrandstapels te kunnen bouwen. In de wintermaanden,als het hout vaak nat en bevroren is, moeten we anderemanieren vinden om van deze heksen af te komen.Ik zal u de methodes besparen. Om zelf niet behekst teworden draag ik altijd een paar buidels met kruiden bijmij. De zakjes met kruiden laat ik ook in grote aantallenproduceren. In het centrum van Nunspeet heb ik eenbedrijf opgericht waar we bijna elke dag honderd kruidenzakjes maken die we op dorpsmarkten verkopen.De kruiden die we gebruiken zijn bloemen, die je overallangs de wegen en paden tussen Garderen, Nunspeeten Elspeet kunt vinden. De kopers krijgen bij dekruidenzakjes ook een certificaat, uiteraard door mij gesigneerd.De ‘heksenzakjes’ zijn ook te krijgen bij herbergenen chirurgijnen in de regio. Binnen een jaar liepenalle vrouwen op de Veluwe met zo’n zakje.Als wij iemand van hekserij beschuldigen en zij kan onseen kruidenzakje met mijn certificaat laten zien, gaat zevrijuit. Door het succes van deze handel loopt het aantalaanklachten van hekserij razendsnel terug.Op een gegeven moment zijn bijna geen heksen meerte vinden op de Veluwe. Hierdoor moet ik mij steedsmeer gaan richten op de kruidenhandel. Zo verdwijntvan de Veluwe in één van de eerste regio’s in Nederlandde jacht op hekserij.”

Als u nu in Nunspeet of Elspeet loopt, moet u eensgoed naar vrouwen kijken. Veel vrouwen dragen nogsteeds een kruidenzakje bij zich, zij zullen het nooit toegeven. Op een aantal plaatsen zijn deze kruidenzakjesnog steeds te koop, u zult hiervoor geen reclamebordenaantreffen. Maar… vragen in de winkels van Elspeet enNunspeet staat vrij!

Houthakker van Ermelo

In de tijd dat de Romeinen in ons land verbleven hebben de drie broers Jacob, Johan en Arthuur Super eenbelangrijke rol gespeeld op de Veluwe. De Romeinenwaren op de Veluwe dan wel geen heersers, toch dedenze invallen om ‘de wilde horden’ zoals ze de Germaansestammen noemden, te verzwakken. Deze hadden zichaan de buitenranden van de Veluwe gevestigd.In de buurt van Ermelo zijn restanten van een Romeinsmarskamp gevonden. Dat bewijst dat de Romeinen ookhier aanwezig zijn geweest. Op de Veluwe woonden inde Romeinse tijd maar weinig mensen, desondanks was deze vaak hectischer dan nu wordt gedacht.

“Ik, Arthuur en mijn broers Jacob en Johan groeidenop in de bossen van Ermelo. Wij woonden in een houten huis, pal naast een beekje met glashelder water.Ons gezin, moeder met tien kinderen, zeven meisjes,drie jongens en een vader die als houthakker de kostverdiende. Hij leverde speciaal hout aan Germaansestammen die in onze regio leefden. Ons hout werd gebruikt voor het vervaardigen van speren, pijlen,bogen of houtsnijwerk. Hij wist welke bomen hiervoor het beste geschikt waren. Waar die meest geschikte bomen stonden hield hij goed geheim. Waarom zou hij zijn lucratieve handel zomaar prijsgeven? Toen hij ouderwerd droeg hij zijn kennis over aan mij en mijn broers.Hij leerde ons dat de iep en de es het beste hout leveren om speren en pijlen van te maken.

Met de Germaanse stammen ruilden wij ons hout voorvlees, fruit en huiden. Na het overlijden van onze vaderhebben wij zijn houthandel voortgezet en uitgebreid.”Nu hebben we onze eigen houthakkerspaden, meteen totale lengte van bijna 300 kilometer. We drijvennog steeds handel met Germaanse stammen. Voor deverwerking van het gekapte hout hebben we bij deplaatsen Horst en Telgt houtzagerijen gebouwd. Daar zagen we planken voor de bouw van huizen, bruggen en schepen.Bij Putten hebben we een kleine boomkwekerij met essen en iepen. Deze kweken we speciaal voor het makenvan bogen, speren en houtsnijwerk. Op deze plek in hetbos vlakbij Putten kun je nog steeds veel bijzondere bomen vinden.Onze handel gaat goed. We hebben nu een grote groep houthakkers die ons helpen met het werk. Zij kappen vooral veel dennenbomen. Wij als broers staan dan ook bekend als ‘de Houthakkers van de Veluwe’.

Veel hoge heuvels (stuwwallen en grafheuvels) opde Veluwe waren in het verre verleden begroeid metdennenbomen, die soms wel vijftig meter hoog waren.Houtkap en de latere zandstormen, in met name de zeventiende eeuw, zorgden dat ze bijna allemaal zijn verdwenen. De Toverberg, Kriemelberg, Paalberg,Fortberg en de Tonnenberg zijn nu nog restanten van devele heuvelbergen die hier ooit op de Veluwe hebbengelegen. Eeuwen terug waren ze aanmerkelijk hoger.”

“Bomen hebben hun eigen verhaal. Het zijn waardevolle historische bronnen. Dat beseffen maar weinigen.Tot mijn verbazing worden op de Veluwe nog steedssprookjes verteld over reuzen. De bergheuvels zouden zijn ontstaan door het uitkloppen van de klompen van reuzen.Onzin! Ik, Arthuur Super houdt het liever bij de verhalen van de bomen. Wij leerden van onze vader te luisteren naar de geluiden en magische invloeden van het bos.Als je goed kunt luisteren kun je ze horen. Het gaatover verhalen met magische krachten. Deze zijn ruimschootsaanwezig in dit gebied. De Kriemelberg ende Toverberg liggen volgens wichelroedelopers opkrachtige energielijnen. Deze worden ook wel leylijnengenoemd. De Toverberg ligt zelfs op een middelpuntvan leylijnen. Als ik daar loop heb ik geen wichelroedenodig want ik voel onmiddellijk de energie in hetgebied. Zo hoorde ik ook de bomen vertellen dat als jeop de Tonnenberg gaat staan dat daar helende krachtenzijn die zorgen dat je hier kunt genezen van je ziekte.Eiken speelden ook een bijzondere rol in het leven vanGermaanse stammen. Bij Ermelo, Tonsel en Harderwijkvonden vaak bijzondere evenementen plaats zoals:huwelijken, inwijdingen, crematies en offerrituelen.De heilige eikenbomen, soms meer als tweehonderdjaar oud, werden dan versierd met allerlei vormen vanbijzonder houtsnijkunst.”

“Ook ik trouw bij een heilige eikenboom. Op mij twintigste trouw ik met mijn vrouw. Zij komt van een stam uit de omgeving van Tonsel. Het is een feest dat vijf dagen duurde. We nuttigden tijdens het feest tien everzwijnen en zeventig kruiken met bier. We vestigden ons in Ermelo, waar we acht jaar later een gezin hebben met zeven kinderen.Recent heeft een Germaanse stam zich op de Toverberg, niet ver van ons huis, gevestigd. Hier staat volgens heneen heilige eikenboom waarbij ze offerrituelen horenuit te uitvoeren. Ze hebben een klein dorp gebouwd, dat geheel omheind is met hout, dat wij hebben aangeleverd. Binnen de omheining bevinden zich woonhutten,opslagplaatsen en een offerplaats. Volgens een boomverhaal zou daar ook een goudschat van de Germanenmoeten liggen. Op de Tonnenberg is sinds een aantalweken, een vooruit geschoven, Romeins garnizoengevestigd. Zij zijn ingesteld om stand te kunnen houden tegeneen aanval van Germaanse strijders.

Bij de Romeinen heerst een streng regime, zodat desoldaten alert blijven. Wij zijn neutraal en proberengeen partij te kiezen. Door onze neutrale houding kunnen onze houthakkers worden ingezet om beide bergengrotendeels bomenvrij te maken. De omgehakte bomenworden gebruikt bij de verdediging. Zou één van de partijen gaan aanvallen dan kan bij de verdediging grote aantallen bomen naar beneden worden gerold.Een verdedigingstechniek met vernietigende werking.Zo kan een aanval met succes worden afgeslagen.

Maar dan begint toch de beschieting op het Romeinsekamp door de Germanen met vuurpijlen. De Romeinenslaan direct terug. Veel hout en bomen en vooral denaaldbomen vliegen snel in brand. Het vuur heeft eenvernietigende werking op de kampen. Bijna zeshonderddoden zijn bij deze strijd te betreuren. De Germaansestam trekt zich na de strijd terug op de Paalberg.Het Romeinse garnizoen vlucht en zoekt een veiligheenkomen achter de Rijn. Op de heuvels weten alleeneen paar eikenbomen de strijd te overleven. De rust keert even terug. Deze rust is nu nog te ervaren op Bungalowpark de Toverberg.

Onze houthakkers moeten oppassen met eikenbomen.Juist, omdat de Germanen eikenbomen heilig verklaren, kan het zijn dat een stam het ziet als aanval ophun geloof. We stellen ons neutraal op, maar soms ishet lastig dit te blijven. Bij Harderwijk en Horst vechtenwe mee met Germaanse stammen tegen een stam dieafkomstig is uit Friesland. De Friezen willen ons houtgebruiken voor de bouw van schepen. Binnen tweejaar hebben ze duizenden bomen gekapt en gestolen.Ze roven ons gebied leeg zonder daar ook maar ietsvoor te betalen. Wij weten wat de waarde van het bosis. Zonder bos ontstaan alleen maar grote zandvlaktes waar niet op te leven is. De strijd is vervolgens kort, deFriezen vluchten te voet. Hun vloot van houten boteneindigt als hakhout voor onze vreugde vuren. Vijf jaarlater vestigden zich Friese handelaren in Harderwijk waar ze samen met ons ‘De houthakkers van Ermelo’ een groothandel openen in hout. We ruilen hout voor melk, boter, vis, bier, graan, huiden en werktuigen. Zo ontwikkelt zich hier onder leiding van mij Arthuur Super, de eerste ‘Supermarkt’ van Nederland…”