Routeverhalen Vechtdal

Arthuur, Donshandelaar van Dalfsen

““Hallo, mijn naam is Arthuur van Dalfsen, ik ben geboren in het jaar 1592 op een boerenhoeve in het buurtschap Welsum, gelegen tussen Dalfsen en Oudleusen. Ondanks dat onze hoeve in een wildernis van drassige weiden, veen en moeras lag, was het een voorname hoeve. In het najaar en de winter, als het water hoog staat in de Vecht, was het druk met boten en vlotten die af en aan voeren met handel. Vooral met veel omvang- rijke en luchtige handel uit Dalfsen.

Mijn ouders bezaten een ganzenfokkerij met meer dan duizend ganzen. Het was een officiële ‘Ganzenhoeve’ dat betekende dat alleen zij toestemming hadden voor het houden en plukken van ganzen. Op die drassige grasgronden vol parasieten, die de lever van schapen en koeien opvraten, was veeteelt haast onmogelijk. In deze wildernis was mals en voedingrijk gras vaak niet voldoende voorhanden. Zelfs voor paarden en ossen waren weinig grasgronden beschikbaar om op te kunnen weiden. Watervogels, zoals ganzen en eenden, konden hier wel goed gedijen. In de zomerperiode werd het dons van de ganzen ‘geoogst.’ De vraag naar dons was enorm. De elite wist al dat slapen onder een donzen dekbed een veel betere nachtrust geeft. Dons heeft een goede isolerende en vochtregulerende werking en is prima te gebruiken in kleding, kussens en dekbedden. Een donzen dekbed was een kostbaar bezit en kwam daarom veel voor in testamenten. Slapen, voor de gewone man was afzien. In een bedstee vaak op een vochtige laag stro sliepen zij een stuk minder warm en comfortabel. De meesten hielden zich warm met dikke nachtkleding, beddenpannen en dekens gemaakt van vlas en wol.

Op mijn vierentwintigste heb ik het bedrijf van mijn vader overgenomen. Ik ben het verder gaan ontwikkelen tot een internationaal bedrijf in donzen dekbedden. Al begin zeventiende eeuw verkocht ik donzen dekbedden over bijna heel Europa. Dit onder de naam ‘Van Dalfsen Dekbedden’. Om in de toenemende vraag naar mijn dons te voorzien heb ik ook ‘donsboerderijen’ ontwikkeld in Oudleusen, Hessum en Hoonhorst. Op deze locaties hield ik tot wel 1500 ganzen per hoeve. In de zomermaanden was het druk met seizoenarbeiders. Dan werden de ganzen geplukt en moesten zelfs seizoenplukkers uit Duitsland worden gehaald om het werk te doen. De donshandel bracht mij geen windveren. Donzen dekbedden gingen op transport in jutezakken met een doorsnee van anderhalve meter breed en ruim twee meter hoog. Het transport ging veelal over water. De Overijsselse Vecht is een rivier waar ik, met mijn schepen, altijd veel gebruik van heb gemaakt. De rivier stroomt van diep in Duitsland tot aan Zwolle. Op de Vecht voeren we met speciale boten ‘de Vechtzompen’, boten van 10 meter lang, met een groot laadruim, een geringe diepgang en voorzien van zeilen. Voldoende om per vracht wel vijfhonderd jutezakken met dons mee te kunnen vervoeren. Na belading van de jutezakken met dons was geen ruimte meer aanwezig om te kunnen slapen, daarom sliep de bemanning aan de wal. Zo ontstonden schippersherbergen langs de Vecht bij Broekhuizen, Dalfsen, Holt, Ommen en Beerze. De meeste werden uitgebaat door boeren die in hun boerderij een herberg waren begonnen. Financieel heb ik ze geholpen met het verbouwen van de boerderijen tot herberg. In ruil daarvoor kregen mijn schippers een flinke korting als ze langs kwamen.

In waterrijke tijden was de Vecht goed bevaarbaar, maar in de zomermaanden viel deze bijna geheel droog en lag het scheepvaartverkeer soms maanden lang stil. Bovendien was de rivier bochtig. De vaartijd van Zwolle naar Nordhorn in Duitsland duurde soms wel zes dagen. Varen in de zomermaanden op de Vecht was dan een verschrikking. Boten voeren regelmatig vast. Elk jaar opnieuw ontstonden schadeposten aan boten die gerepareerd moesten worden. Omdat de vraag naar mijn dons zo toenam, was transport over de Vecht niet voldoende meer om aan de vraag te voldoen. Ik was genoodzaakt iets anders te verzinnen. Wellicht dan toch transport over land? Dat was geen aantrekkelijke optie. De meeste wegen bestonden uit onverharde zandwegen met karrensporen. Een tocht over land duurde meestal twee keer zolang als over water en was onveilig. Ik besloot daarom in ‘konvooi’ te gaan reizen, met gemiddeld zes handelskarren over de Twentse Weg en de Hessenwegen. Dat zijn handelsroutes die lopen van Duitsland via Almelo, Den Ham, Oudleusen en Dalfsen naar Zwolle. Dons dat voor Amsterdam bestemt was kon vanaf Zwolle weer verder over het water. Dons voor zuidelijke regio’s ging vanaf Zwolle verder over de Veluwe naar Utrecht. Ik leverde ook dons aan bij de De Ommerschans. Dat was een belangrijk verdedigingswerk aan de enige weg tussen Ommen en Zuidwolde in Drenthe. Deze weg, meer een pad, lag door een ontoegankelijke groot veengebied. Het werd aangelegd op kosten van de provincies Groningen en Friesland. Dit gebeurde om die weg te verdedigen tegen Spaanse troepen. De angst bestond dat zij vanuit het zuiden via deze weg naar het noorden zouden optrekken. De schans werd aangelegd in de vorm van een ster. Soldaten konden zich hier verschansen en op die manier strijden tegen het Spaanse leger. Mijn dons werd hier gebruikt om de soldaten warm en fit te houden. Ik zag in die tijd veel ellende, maar ook veel welvaart. Zelf profiteerde ik rijkelijk van deze strijd.

Voor het transport over land gebruikte ik ‘Hessenkarren’, die waren breder en zwaarder dan de gebruikelijke karren. Deze Hessenwagens hadden het voordeel dat ik met deze karren meer lading kon vervoeren. Echter met deze wagens mochten we vaak geen gebruik maken van bestaande wegen. Die zouden anders helemaal kapot worden gereden. Daarom liepen de Hessenwegen meestal dwars door heidevelden en bosgebieden. Ik beveiligde de transporten tegen overvallen van roversbendes. Dons en donzen dekbedden waren gewild roofgoed. Ik stuurde daarom soldaten mee met de voerlieden. Een beetje schamper werden ze daarna ‘de Dons-soldaten van Dalfsen’ genoemd. Niet geheel onterecht, want ze kregen soldij uitbetaald in donzen dekbedden. Ondanks hun bijnaam wisten zij in verschillende plaatsen in de regio steeds meer struikrovers gevangen te nemen. Als struikrovers gevangengenomen werden zij door hen aan een boom langs de weg gebonden. Daar werden ze dan met pek en ‘donsveren’ ingesmeerd en tentoongesteld. Ze leken dan op struisvogels en werden door de langstrekkende inwoners en reizigers uitgejouwd. Na een paar dagen werden zij weggejaagd met de boodschap zich nooit meer te laten zien. Nu weet u ook waar de uitspraak ‘met pek en dons worden verjaagd’ vandaan komt.”

Restanten van dit verleden met een eigen verhaal zijn niet weg te poetsen. Kijk maar eens goed, naar de oude bomen langs fiets- en wandelpaden in het Vechtdal. Misschien ziet u dan de bomen met teervlekken op de stam. Restanten van de donshandel van Arthuur van Dalfsen zijn met het afgraven van het veen in de regio bijna geheel vervlogen. Wel kunt u deze rijkdom nog terugvinden in de diverse landhuizen in het Vechtdal. Kijk maar eens uit naar de ‘veren’ op deze gebouwen.

Arthuur, Heelmeester van Den Ham

“Hallo, mijn naam is Arthuur, ik ben ‘Heelmeester van Den Ham’. Ik beheer al meer dan dertien jaar een hospitaal in het dorp. Vanuit het klooster van Sibculo heb ik als chirurgijn in een kloosterakker in Den Ham één van de eerste ‘ziekenhuizen’ van Noord-Nederland gesticht. Chirurgijnen en kloosterlingen werkten in de middeleeuwen nauw samen en deelden hun kennis en ervaringen over de geneeskrachtige kruiden. Dit was nodig, omdat kennie van ziekenzorg nog gering was.

Het merendeel van mijn patiënten bestaat uit soldaten die aan het herstellen zijn van verwondingen die zij hebben opgelopen tijdens gevechten. Bij gevechten nabij Rheeze op de Marsweg waren soldaten van het leger van de bisschop van Utrecht slaags geraakt met een groep boeren die hun pacht niet wensten te betalen. Dit schijnbaar zooitje, ongeregelde boeren, wist na een bloedige strijd het moeras in te vluchten. In de strijd, die kort maar hevig was, vielen gelukkig weinig doden, maar aan beide zijden waren een groot aantal gewonden. Ik verzorgde zowel de gewonde soldaten van de bisschop als ook gewonde boeren. Als ze mijn hulp niet hadden gekregen waren ze op het slagveld doodgebloed. Ik heb de gewonden met ossenkarren over de hobbelige zandwegen vervoerd naar het ‘hospitaal’ in Den Ham. De pest heerste toen even niet. Gelukkig was daardoor voldoende ruimte om de gewonden een houten bed en de nodige verzorging te geven.”

De bisschop was woest toen hij hoorde dat zijn soldaten bijna waren verslagen door een groepje boeren, die slechts bewapend waren met messen en hooivorken. Hij besloot daarom een speciaal garnizoen op te richten met kampement in Den Ham. Ze kregen speciale gevechtstrainingen en een betere uitrusting dan het gewone bisschoppelijke leger. Het speciale garnizoen, onder leiding van Joncker Arent uit Den Ham, werd ‘De Groene Jagers’ genoemd. De Groene Jagers waren te herkennen aan groene veertjes op hun helmen. De soldaten droegen deze veertjes als herkenning- en bezweringsmiddel. De veertjes op de helmen waren geen echte veertjes maar groene geneeskrachtige kruidenblaadjes. De helm is een plek waar je altijd snel bij kunt als je kruiden als medicijnen nodig hebt. Het garnizoen van De Groene Jager bestond uit meer dan alleen maar soldaten. De meeste werden vergezeld door vrouw en kinderen. Een bijzondere gemeenschap die ervoor zorgde dat Den Ham, een dorp van 200 inwoners, kon uitgroeien naar nu bijna tweeduizend zielen. De dorpelingen klaagden niet, ze voelden zich zelfs een stuk veiliger dan voorheen.

Op de burcht nabij Den Ham (nu Kasteel Eerde) woonde namelijk de bekende roofridder Evert van Essen. Met behulp van gedeserteerde soldaten uit het bisschoppelijke leger terroriseerde hij de omgeving. Tevens belemmerde hij de doorgang van kooplieden. Veel soldaten uit het bisschoppelijk leger liepen om financiële redenen over naar de roofridders bende. De bisschop van Utrecht betaalde het soldij van de soldaten vaak niet tijdig. Onder leiding van roofridder Evert van Essen beroofden zij vaak kooplieden op doortocht van Ommen naar Ootmarsum. Ze gedroegen zich vaak als barbaren. Als gebrek aan voedsel dreigde roofden ze ook boerderijen en moorden dorpen uit. De gedeserteerde soldaten verschuilden zich op de burcht of in de moeilijk toegankelijke stuifzandgebieden, zoals op de Archemer- en Lemelerberg of bij Beerze. De Groene Jagers hebben hier heel wat gevechten gevoerd met de soldatenbendes van roofridder Evert van Essen.In de middeleeuwse samenleving was medische verzorging vaak gebrekkig. In Den Ham was dat anders. Gevangengenomen en gewonde soldaten kregen een behandeling met voldoende voedsel en bier. Bier werd veel genuttigd, dat was namelijk veel gezonder dan water. In bier zaten veel minder schadelijke bacteriën dan in het niet echt frisse water. Arthuur had de opdracht van de bisschop om soldaten zo goed mogelijk te verplegen. Zelfs toen de besmettelijke pest epidemie heerste was de zorg in Den Ham goed. Dit om de simpele reden dat de Groene Jagers geld opbrachten. Zodra ze hersteld waren konden deze herstelde soldaten weer aantreden in het leger.

“In de loop van de jaren heb ik veel burgers en soldaten weer snel op de been gekregen. Met twee vingers, een duim en één oog kun je als soldaat nog uitstekend functioneren, was mijn gedachte. Als chirurgijn van De Groene Jagers wist ik door mijn prima resultaten in de heelkunde een goede positie in het leger van de bisschop te verwerven. Zo ben ik aan de naam ‘Arthuur, Heelmeester van Den Ham’ gekomen. Jarenlang ben ik met mijn ossenkarren van dorp naar dorp in het Vechtdal getrokken om gewonde soldaten of zieke burgers te helpen. Den Ham werd het middelpunt van waaruit mijn ziekentochten vertrokken. Meestal reisden we niet verder dan een dagtocht. Anders overleefden de meeste gewonden de reis niet. Ik deed dit werk niet uit medemenselijkheid, maar puur voor het geld. Zo vond ik in Giethmen, bij een doorwaadbare plaats in de Regge, een gewonde soldaat met een buikwond. Met duivelsblad heb ik hem verzorgd. Gelukkig had hij nog voldoende soldij op zak op mij te kunnen betalen. Naast het transporteren en verzorgen van soldaten bereide ik ook verschillende medicijnen. Die werden gebruikt tegen: koorts, hoofdpijn, maagpijn, schurft en luizen. Het werk van een heelmeester bestaat meestal uit een combinatie van: chirurgijn, tandarts, kapper en geneesheer. Het werk van een heelmeester bestaat meestal uit een combinatie van: chirurgijn, tandarts, kapper en geneesheer. Dagelijks verrichte ik amputaties van verschillende lichaamsdelen. Maar het trekken van kiezen en aderlaten waren verreweg de meest voorkomende behandelingen die ik uitvoerde.”In 1380 waren de bisschop van Utrecht en de handelssteden Deventer en Zwolle, Evert van Essen en zijn rovende soldaten beu. De Groene Jagers werden samen met het leger van de bisschop op pad gestuurd om de roofridder definitief te verslaan. Hoewel de burcht werd veroverd wist Evert van Essen te ontsnappen met medeneming van een groot aantal gevangen genomen Groene Jagers, waaronder Joncker Arent.

“Bij deze slag om de burcht van Evert van Essen was ik als chirurgijn aanwezig. Het slagveld in de buurt van Den Ham was na het gevecht bezaaid met doden, gewonden, wapentuig en restanten van kledinguitrustingen. De Groene Jagers gingen voorop in de strijd maar liepen in een hinderlaag en leden daardoor grote verliezen. Heel veel Groene Jagers kwamen om. Dat was goed te zien aan de vele helmen met groene blaadjes die overal verspreid op het slagveld lagen.”

Eeuwen later wordt deze plek nog ‘De Groene Jager’ genoemd en zijn de sporen van de veldslag nog terug te vinden in de nabijgelegen weilanden en bossen. Dit kun je zien aan de lichte kleuren. De veertjes van de helmen hebben zich door de eeuwen heen niet alleen verplaatst in de bossen en weilanden,maar ook van het slagveld naar de keukens van de vele eetgelegenheden in de regio. U maakt grote kans een ‘Groene Jager’ kruidenblaadje op uw bord aan te treffen. Smakelijk eten!

Arthuur, Ziener van Ommen

“Hallo, mijn naam is Arthuur Bissingh en men noemt mij ook wel de ‘Ziener van Ommen. ’Ik stam uit een eeuwen oude familie van profeten, handelaren en visionairs. Mijn ouders heb ik nauwelijks gekend. Toen ik zes jaar was zijn ze verongelukt op één van hun handelstochten. Ik werd als enig kind ondergebracht bij een oom in het buurtschap Giethmen. Ik kan niet anders zeggen, ik had daar een geweldige jeugd. In de loop van deze jaren kwam ik erachter dat ik over bijzondere gaven beschik. Welk moment en wat voor weer het ook wordt, ik kan het met gemak voorspellen. Niet één dag, maar ik kan weken vooruit voorspellen. Ook kan ik aan mensen zien wat met hen in de toekomst gaat gebeuren. Ik hoef ze alleen maar diep in hun ogen te kijken...

Het is soms beangstigd om te zien hoe goed ik daar in ben. De oom en tante die mij verzorgden maakten zich wel zorgen over mijn gaven. Ze hadden een zeer streng godsdienstige levensbeschouwing en vonden dat ik mijn gaven niet teveel moest tonen. Zoals ik al zei, in weersvoorspellingen ben ik een kei. Ik heb menig familielid op tijd kunnen waarschuwen hun boerderij te verlaten. Dit omdat heftige overstromingen van de Vecht en de Regge dreigden. Enkele van deze boerenfamilies trokken met hun vee naar hoger gelegen gebieden bij Beerze en Rheeze en wisten zo aan de verdrinkingsdood te ontsnappen. Andere boeren trokken de bossen in en hielden zich daar schuil tot hun woongebied weer veilig was. Ik wil echter geen held van de regio zijn en ik heb hekel om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Maar…. als mensen mij nodig hebben dan sta ik voor ze klaar. De oom die mij verzorgde wilde wel gebruik maken van mijn voorspellingen. Hij wist daarom precies wat, wanneer en hoe hij moest zaaien en oogsten zodat de opbrengst het grootst werd.

Met mijn gaven wilde ik niet te koop lopen. Desondanks weerhield me dat niet om enkele mensen uit Dedemsvaart te behoeden voor ernstige ziekten. Zelfs enkele streng gelovige boeren heb ik geadviseerd bij de oogst. Zij hebben nooit meer honger hoeven lijden. Van die boeren leerde ik dat planten niet alleen dienen als voedsel, maar ook een geestverruimend kunnen zijn. Ik ben met die planten gaan experimenteren en kwam er achter, dat ze mijn gave van ziener verder versterkten. Anderen waaraan ik de planten gaf gingen juist hallucineren en raakten vaak verslaafd. Dit gebeurde omdat zij veel te veel van die groene plantjes gingen gebruiken. Ik ben voorzichtiger geworden met het gebruik van geestverruimende planten en heb geleerd dat ook meditatie mijn gaven versterken. Door te mediteren raakte ik ook geïnteresseerd in filosofie, menswetenschappen en religie. Met af en toe een plantje tussendoor.

De eigenaar van kasteel Eerde, gelegen tussen Ommen en Den Ham, baron Philip van Pallandt, had ondertussen al veel gehoord over mij ‘Arthuur Bissingh’. Van Pallandt had dezelfde interesses als ik en nodigde mij daarom regelmatig uit voor een gesprek. Zo ontstond een hechte vriendschap tussen mij en de baron. Zijn interesse in de filosofie, religie en het occulte bracht hem in contact met de nieuwe wereldleer van de theosofie uit India ‘De Orde van de Ster van het Oosten’. Deze wereldleer, opgericht in 1911 in India, had als doel de nieuwe wereldleer van de theosofie uit te dragen. Van Pallandt zijn interesse was zo groot in deze leer dat hij naar Londen afreisde en mij vroeg mee te gaan. Zo gingen we samen naar een lezing van de theosofische wijsgeer ‘Krishnamurti’ in Londen. Hij was tot spiritueel wereldleider uitgeroepen van deze orde. In Londen raakte Van Pallandt diep onder de indruk van het gedachtegoed van de orde en ook van Krishnamurti. In de overtuiging van de goedheid van deze orde schonk Van Pallandt, Krisnamurti het landgoed kasteel Eerde. Krishnamurti besloot in 1925 met zijn staf in het kasteel te trekken. Vervolgens ontstond het idee om in kasteel Eerde ‘Het Geestelijk Wereldcentrum’ van de Orde te stichten. De regio Ommen-Eerde zou het hart van de Orde van de Ster in de westerse wereld worden. Daarvoor werden onder andere Sterkampen georganiseerd.

Zo zag ik dat uit de gehele wereld mensen naar Ommen kwamen om door Krishnamurti te worden onderwezen in de theosofie en om te filosoferen over de betere wereld die zou aanbreken. De vele duizenden aanhangers verbleven in grote tenten in de Sterkampen. Zo zijn door de komst van die vele aanhangers diverse campings in deze regio ontstaan, met mooie namen als Besthmenerberg. Ook ik raakte bevriend met Krishnamurti. Bij zijn bezoeken aan Ommen in de jaren twintig van de vorige eeuw spraken we soms dagenlang met elkaar en maakten veel wandeltochten door het Vechtdal. Ik liet hem de werking zien van mijn planten met een geestverruimende werking, maar ook het gevaar daar- van. Hij noemde mij wat lacherig ‘de Ziener’. Toen ik met een deel van mijn groene plantjes een groep spreeuwen voerde, begonnen deze diertjes zich snel als dronkaards te gedragen. Na een korte en warrige vlucht vielen ze uit de lucht. Na enige tijd krabbelden ze weer op en waggelden ze verder en vlogen weer verdwaasd op. Dit repeterende beeld van waggelende en uit de lucht vallende vogels kon soms uren aanhouden. Bij één van onze wandelingen over het Arriërveld sprong een groep schapen pal voor onze neus in een grote modderpoel, om al ploeterend weer geheel zwart uit de poel te komen. Bij Giethmen werden we gevolgd door een groep heftig kwakende ganzen, ze bleven ons kilometers lang achtervolgen. In de buurt van Junne kwam een groep ossen op ons af stormen. Deze waren door de omheining gebroken. Gelukkig wisten we ons in veiligheid te brengen door in een grote knotwilg te klimmen. De uitstapjes waren inspirerend, maar in de ogen van Krishnamurti werden ze langzamerhand iets te uitdagend. We spraken nog wel regelmatig af, maar de wandeltochten vonden vanaf die tijd, meestal plaats op het mooie landgoed van kasteel Eerde of zijn slaapplaats op Landgoed het Laer in Ommen.”

Waarschijnlijk heeft Arthuur door deze gesprekken de beroemde wijsgeer laten inzien dat verheerlijking van zijn persoon niet de juiste weg was. Het zou zijn individuele vrijheid in de weg staan als ook dat van zijn volgers. Krishnamurt raakte overtuigd dat, als je aanbidt zelf niet nadenkt. Volgens hem staat aanbidden individuele ontwikkeling en vrijheid in de weg. Als consequentie van zijn keuze voor individuele vrijheid zag Krishnamurti zich genoodzaakt daarom zijn bloeiende orde op te heffen. Zo kwam een einde aan het internationaal centrum van deze wereldorde in Ommen. De naam van Arthuur Bissingh speelt jaarlijks nog wel een rol, als in augustus de jaarlijkse ‘Ommer Bissigh’ wordt gehouden. Een jaarmarkt. Ook kun je heden ten dage op verschillende routes naar Ommen nog regelmatig vreemde natuurverschijnselen tegenkomen. Dieren die zich raar gedragen of planten met opvallende vormen en kleuren. Allemaal het gevolg van de geestverruimde planten die hier al lang groeien. Bewoners van deze regio valt het al niet meer op. Zij zijn gewend aan de verschijnselen en noemen het ‘effe gek in de kop’. Dus als u in de regio Ommen ook af een toe een persoon tegenkomt die ‘raar’ doet dan weet u die is ‘effe gek in de kop’. U weet dan waar dat door komt.