Routeverhalen Twente

Arthuur, smokkelaar van Ootmarsum

“Het gezin waarin ik ben opgegroeid is in 1897 verhuisd van Friesland naar Ootmarsum. Dat was toen veranderd van een florerende Hanzestad tot een boeren stadje. Mijn vader hoopte in de textielindustrie een betere boterham te verdienen dan hij als timmerman tot nu toe had gehad in Friesland. Ons gezin bestond uit vier meiden en drie jongens, waarvan ik -­‐ Arthuur -­‐ de jongste was. We woonden in een heel klein boerderijtje (keuterij), even buiten Ootmarsum, waar we met vier kinderen in één bed sliepen. Het loon dat mijn vader verdiende in de textielfabriek was ook hier niet voldoende om alle monden te voeden. Toen ik 8 jaar oud was, moest ik daarom al meehelpen bij de boeren. Stallen schoonmaken, het land bewerken en helpen de oogst van het land te halen. De centen die ik verdiende gingen thuis in een grote gebreide sok van mijn moeder. Ze controleerde het geld een paar keer per dag en stopte daarna deze sok weer in de met stro gevulde matras.’

Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak was Nederland neutraal, maar moest het intensiever de grenzen bewaken. Ook werd het grensoverschrijdende personenverkeer beperkt. Voor levensmiddelen, brandstoffen en oorlogsmateriaal werden uitvoer verboden ingevoerd. Allemaal producten die Duitsland hard nodig had en waarvoor onze oosterburen goed voor betalen wilden. Echter het waren goederen die wij in Nederland zelf ook nodig hadden. Zo ontstond een kat-­‐en-­‐muisspel tussen smokkelaars en grens-­‐ bewakers die vaak niet geheel ongevaarlijk was voor beide partijen.

“ In die tijd liep ik elke dag van boer tot boer om naar werk te vragen. Soms wel 25 kilometer lopen, voordat ik een plek vond waar ik aan de slag kon. Zo leerde ik het gebied goed kennen, maar ook alle boerderijen vinden. Geen pad, plek, weg of boerderij in de regio die ik niet ken. Ondanks ons aller gezinsinzet bleven we kampen met geldgebrek. Daardoor moesten we met het gezin verhuizen naar een gammele woonwagen. Met 7 kinderen was dat eigenlijk geen doen. Met mijn broers sliep ik daarom vaak buiten. Bijvoorbeeld in één van de vele hooibergen in het dorp. Op een dag, toen ik met een kar hooi met een os ervoor op weg was naar Tubbergen, hoor ik schoten. Het waren geen schoten van jachtgeweren maar schoten van grensbewakers. Het ging flink tekeer, het ene salvo na het andere. Ik zag een man verscholen in een sloot liggen. Hij sprong zonder zich te bedenken op mijn kar en kroop snel onder het hooi. Iets verderop kwam ik een controlepost tegen. Een groep van grensbewakers blokkeerden de weg met hun karabijn in de aanslag. Zonder wat te vragen staken ze met hun geweren in het hooi. Tot mijn verbazing lieten ze me naar een paar minuten weer verder rijden. Een kilometer verderop sprong de man, met drie grote zakken, weer van de wagen. Hij bedankte mij, ik moest ‘s avonds naar Café Bolscher in Vasse komen. Daar zou ik iets van hem krijgen. ’

“ In het café werd ik door de man als held ontvangen. Hij bleek een succesvolle smokkelaar te zijn. Hij trakteerde de hele kroeg op zijn succesvolle smokkeltocht. Ik kreeg een helden onthaal en mocht van alles eten en drinken. Na twee uur was ik zo dronken als een reiger. Ik leerde van hem hoe je tabak in klompen verstopt, een dubbele bodem in ossenkarren maakt en onderrokken van vrouwen gebruikt als smokkelplek. Maar waar ik, Arthuur, vooral goed in werd, was het leggen van contacten en het opzetten van smokkelroutes. Mijn lange wandelingen op zoek naar werk kon ik zo verzilveren. Smokkelroutes moesten voor de grensbewaking zolang mogelijk verborgen blijven. Daarin werd ik succesvol en daarom gingen ze mij in de regio ‘Arthuur, Smokkelaar van Ootmarsum’ noemen. ’

De grensbewaking nam gedurende de eerste wereldoorlog steeds verder toe. Nederland leed veel schade door de omvangrijke smokkel en kreeg tekorten.Veroorzaakt door de groeiende hoeveelheden goederen die naar Duitsland werden gesmokkeld. Om die smokkel in te perken kwamen iedere maand wel honderd extra grensbewakers bij. Veelal jonge mannen, die nog nooit geschoten hadden. Zonder vooraf te waarschuwen schoten ze op alles wat verdacht was.Hierdoor vielen tientallen, vaak onschuldige, slachtoffers. De leidinggevenden vonden het allemaal wel best. Ze moedigden het schieten zelfs aan.

Zo werd op de weg tussen Ootmarsum en Lattrop een onbekende smokkelaar doodgeschoten. Het werd een ’N Kaps begrafenis. Een simpele traditie waarmee dode, onbekende reizigers of smokkelaars werden begraven. De personen werden op een kar gelegd met een os ervoor en het veld ingestuurd. Daar waar de os stopte, werd de man begraven. In januari 1916 werden zes smokkelaars uit Albergen op heterdaad betrapt bij hun smokkeltocht. Op hun vlucht voor de grensbewaking zijn ze allemaal gedood. Bij de grote Geesterse molen is hiervoor jarenlang een herdenkingsbijeenkomst gehouden.

“ Voor mij was dit het begin van een spannende en uitdagende periode waar ik ongelooflijk veel van heb kunnen genieten. Ik was de eerste smokkelaar die besloot het écht grootschalig aan te pakken. Grensbewakers heb ik in groten getale omgekocht. Openlijk heb ik honderden vrachtwagens over de grens laten rijden, zonder dat ze echt werden gecontroleerd. Zo heb ik massa’s goederen over de grens gesmokkeld. Het legde mij geen windeieren. Een kudde van 400 schapen leverde mij een klein fortuin op. Onder de wol van de schapen hadden we in totaal 1000 kg koffie verstopt.In september 1916 weet ik tussen Tilligte en Denekamp op de Rammelbeek Maten maar net te ontsnappen aan een groep grensbewakers. Op een bootje op de Dinkel wordt ik ‘s nachts betrapt. Ik ben in het water gesprongen, maar werd op de vlucht achter nagezeten. Door mijn goede gebiedskennis wist ik te ontkomen en me schuil te houden op een bijzondere schuilplaats op Landgoed Singraven. Veel schuilplaatsen waren simpel, vaak kuilen in de grond met takken erover en aarde er bovenop. Daar heb ik veel van laten aanleggen.
Deze schuilplaats was uniek. Het is een grote ondergrondse ruimte met gewelven. Ooit aangelegd door koning Othmar, een Frankische vorst die leefde in de tijd van de Romeinen en zijn naam heeft gegeven aan Ootmarsum. Ondertussen groeide mijn smokkelbedrijf uit tot een groep van vele honderden mannen, vrouwen en kinderen. Dorpen als Lattrop, Reutum, Mander en Manderveen leefden van de smokkel. ’

Ik heb een speciale smokkelroute aangelegd, die ook wel ‘de Arthuur route’ werd genoemd. Deze route is nooit ontdekt door de grensbewakers. De route begint nabij Tubbergen en loopt via Vasse en Het Springendaal helemaal door naar kelders van boerderijen bij Tilligte en Lattrop-­‐Brekkelenkamp tot aan Nordhorn in Duitsland aan toe. De smokkelgoederen werden eerst op verschillende geheime plekken in of nabij de dorpen opgeslagen en daarna door smokkelaars verder vervoerd de grens over. Iedereen kende en hielp elkaar. Deze Arthuur smokkelroute bestond uit een fijnmazig systeem van kleine paden, kelders, waterlopen, heide-­‐ en bospaadjes waar de grenspolitie geen greep op kreeg. Niemand uit de dorpen sprak erover, laat staan met buitenstaanders. Maar iedereen wist ervan.

In een dorp als Geesteren had mijn smokkelimperium een bewaarplaats waar veel margarine lag. Ieder dorp had zo zijn specialiteit van opslaan. Tubbergen had zich gespecialiseerd in tabak. Tubbergen werd daarom ook wel het tabak dorp van Twente genoemd. In Vasse had ik flinke hoeveelheden meel liggen. Zo kreeg ieder dorp zijn bijnaam. Tabaksdorp, rijstdorp, spekdorp, benzinedorp, margarinedorp, worstdorp, brooddorp, kaasdorp, maisdorp, en zeepdorp. Als je door deze regio fietst of wandelt kun je op heel veel plaatsen nog steeds de geur van toen ruiken. Het lijkt wel of het in de muren van de dorpen is gaan zitten. Maar vraag je ernaar in de dorpen, dan zal iedereen je met stomme verbazing aankijken.Want ‘de Arthuur Smokkelroute van Twente’ bestaat nog steeds. Als je goed om je heen kijkt kun je nu nog steeds de letter -­‐A-­‐ terugvinden die mijn geheime plekken aanduiden.

Arthuur, de laatste Wolvenvanger van Twente

“In vroegere jaren..., zo gaat de legende van de Hellehond, ...werden de boeren in het buitengebiedvan De Lutte opgeschrikt door een grote zwarte zwerfhond. Ook zwierf de hond op het Lutterse kerkhof. Het verhaal gaat, dat degene die met de hond in aanraking komt ernstig ziek wordt. De legende verteld dat een boer strijd met de hond zou hebben geleverd en dat hij de volgende dag ernstig ziek werd met blaren over zijn hele lichaam. Dat is in het kort de legende van de Hellehond. ....Maar daar klopt helemaal niets van. Laat ik u -­‐ Arthuur -­‐ de laatste wolvenvanger van Twente eens het echte verhaal vertellen. Het verhaal dat buitenstaanders niet kennen en de inwoners van De Lutte u nooit zullen vertellen, maar wel echt is gebeurd.

In de Middeleeuwen leefden nog flink wat wilde dieren in ons land. Lynxen, wilde zwijnen, oerossen en wolven waren heel gewoon in die tijd. Vooral in het gebied rond De Lutte leefden grote roedels wolven. Normaal zijn wolven schuw, maar deze waren berucht om hun agressiviteit en terroriseerden de regio. Ze doodden vaak een aanzienlijk deel van de boeren hun veestapel. Deze wolven konden door hun grote aantallen op een gegeven moment niet meer zo makkelijk aan voedsel komen, daarom vochten ze met elkaar. Boeren waren bang en niet in staat hun eigen vee te beschermen. Stedelingen zagen het als iets waarvoor zij niet verantwoordelijk waren. Zelfs toen wolven ook in Oldenzaal en Denekamp opdoken wilden de stedelingen nog geen geld uitgeven om ze te bestrijden.

Op een dag werd bij Deurningen een marskramer (een rondreizende koopman) die op weg was naar Duitsland aangevallen en dodelijk verwond door een groep wolven. In Rossum, werden een boer en zijn vrouw levensgevaarlijk verwond door een roedel wolven en in Denekamp kon een groep kinderen maar ternauwernood ontsnappen door te schuilen in een stenen schuur. Na een uur hadden de wolven bijna een gat in de hardhouten deur weten te maken. Gelukkig wisten opgetrommelde soldaten ze op tijd te verdrijven. De bevolking, vooral de boeren op het platteland, waren razend. Niet alleen op de wolven, maar ook op hun landheren waarvan ze vonden dat die hen beter moesten beschermen. Voor betere bescherming kwamen de boeren daarom bijeen in De Lutte.
Deze plek werd ‘de Sproakstee’ genoemd. Ze besloten een protestbijeenkomst te houden bij de Belangrijke ‘Mauritsbrug’ nabij Beuningen over de Dinkel.
Deze had toen nog niet deze naam en bestond nog uit een simpele groep boomstammen. Tweehonderd jaar later zou hier Prins Maurits met zijn leger de rivier de Dinkel oversteken om Oldenzaal en Ootmarsum met donderend kanongebulder te bevrijden van de Spanjaarden. Zo kwam deze brug aan zijn naam.

Oldenzaal was tijdens mijn leven het belangrijkste religieuze centrum van Twente. Ondanks al zijn vroomheid is het met de hygiëne niet zo best gesteld. De inwoners hebben zoals u zult begrijpen veel last van ongedierte, waaronder zwarte ratten. Als aangesteld rattenvanger was ik behoorlijk succesvol in het bestrijden van zwarte ratten. Dat deed ik door een grote groep bruine ratten op zwarte ratten los te laten. Toen, een ongebruikelijke methode. De bruine ratten eten de zwarte op en verlieten daarna zelf zonder problemen de steden en dorpen. Ze leven blijkbaar liever in de natuur. Met mijn succes als rattenvanger besloot de bisschop mij, Arthuur ook aan te stellen als wolvenvanger. De vraag die mij daarna bezighield was “Hoe zou ik die wolven het beste kunnen verjagen”. Wolven jagen is best lastig. Ze zijn snel en in de regio De Lutte vaak te groot in aantallen. Pijl en boog zijn wapens met weinig resultaat. Wolven worden wel geraakt, maar leverde ook veel slachtoffers op onder de jagers. Ik heb ontdekt dat wolven het meest bang zijn voor vuur. Daarom heb ik honderden vuurkorven laten aanrukken. Op het Lutterzand hebben we de vuurkorven in een grote cirkel uitgezet. In het midden legden we kadavers van twee ossen neer. Toen de wolven op het vlees afkwamen, hebben mijn mensen de vuurkorven aangestoken. Depaniek was groot bij de etende wolven. Na een tijdje maakten we een opening zodat ze konden ontsnappen uit de vuurzee. Ze schrokken zo dat ze wel twee dagen zijn blijven rennen.Ver Duitsland in zijn ze pas gestopt. Deze aanpak heb ik aantal keren toegepast. Hierna bleken bijna alle wolven te zijn verdreven. En wat ook prettig was, ze kwamen niet meer terug. Zo ben ik aan mijn bijnaam: ‘Arthuur, de wolvenvanger van Twente’ gekomen.’

““Eén jonge wolvin is achtergebleven. Ze had zich verstopt om haar pup te beschermen. Toen ze haar pup alleen moest laten om voedsel te zoeken, is de jonge wolf gevonden door een boerin uit De Lutte.De boerin heeft het schattige diertje meegenomen naar haar boerderij. Ze dacht dat het ging om een lief hondje, dat alleen gelaten was in het bos. De wolvin is een maandenlang de hele regio blijven afzoeken, wanhopig opzoek naar haar pup. Ze werd steeds agressiever en regelmatig viel ze mensen aan. Vooral als ze zich bedreigt voelde. Ik heb verschillende keren geprobeerd haar te vangen, maar ze was mij steedste slim af. Toen we dachten haar bijna ingesloten te hebben, wist ze toch nog te ontsnappen, dit door in de Dinkel te springen. Wolven zijn goede renners en taaie zwemmers, die haal je niet zo maar in. Regelmatig werd de wolvin voor een hond aangezien, zeker in het donker.

Tussen Saasveld en Weerselo waren bij drie boerderijen, waar honden werden gefokt, op één avond alle jonge honden verdwenen. Aan de sporen te zien moest het een wolf zijn geweest. De boeren waren enorm geschrokken en woest (op zijn Twents Hellig).

De sloten van de hondenhokken waren kapot gebeten. Gelukkig werden de jonge honden allemaal ongedeerd in de buurt teruggevonden. Dat was verrassend.Maar de conclusie was, dat deze wolf naar iets bijzonders op zoek moet zijn geweest. Zo bleef mijn jacht op ‘de hellehond’ doorgaan. Het is mij, ondanks intensieve jacht, nooit gelukt die laatste wolf te vangen.

Op een dag was het ‘hondje’ van de boerin verdwenen. Onbegrijpelijk voor de boerin. Ze hield haar schattige hondje eerst in het voorhuis van de boerderij. Toen het dier groter werd en steeds meer ging vernielen, moest ze hem in een schuur gebouwd van stenen opsluiten. Hieruit kon het dier toch onmogelijk zomaar verdwijnen? Ze schrok toen ze ontdekte hoe het dier was ontsnapt. Er zat een groot gat in de grond in een hoek van de schuur. Het was wel een tien meter lange tunnel, die nooit alleen door haar hondje kon zijn gegraven. Het kon niet anders, dat moest het werk van de wolvin zijn geweest. Dagen lang heeft ze in en buiten De Lutte, samen met haar buren, naar haar hondje gezocht.Maar hierna is nooit meer iets van de wolvin vernomen. Het enige wat is gebleven is de legende van de Hellehond. Zou u tijdens uw fietsroute nog een jonge hond tegenkomen, dan bent u gewaarschuwd.’