Routeverhalen Kop van Drenthe

Arthuur, De Handelaar van Mensinge

Boem!, de poort valt achter me met een forse klap dicht. Het is een regenachtige dag in het voorjaar van 1824 als ik aankom in een tehuis in Veenhuizen. Ik ben wees, mijn moeder is een paar maanden terug in Haarlem overleden en mijn vader is onbekend. Ik ben doodmoe. De reis van bijna drie dagen heeft mij Arthuur, een jongetje van zes jaar, veel energie gekost. Ik wil slapen. Het grootste gedeelte van mijn reis ging per schip, met de trekschuit en het laatste stuk te voet naar Veenhuizen. Het was een reis met veel stinkende en onverzorgde paupers. Ik ga de geur van het tehuis waar ik terecht kwam nooit meer vergeten en de klap van het dichtvallen van de poort van het tehuis achter mijn rug heeft ook meer veroorzaakt dan alleen een geluidsklap.

Het tehuis heet “De Maatschappij van Weldadigheid” en is een inrichting voor wezen, landlopers en dronkaards. Het is om praktische redenen in Veenhuizen gesticht. Het gebied waarin de Maatschappij van Weldadigheid actief is ligt ver van de grote steden. Het is slechts enkele lente- en zomermaanden per jaar bereikbaar. Vanuit het westen van Nederland alleen dan over de Zuiderzee. De rest van het jaar maken het sompige veen en slechte weersomstandigheden de toegang bijna onmogelijk. Dat is natuurlijk handig bij gedwongen opvang. Als je hier eenmaal bent, kom je hier niet snel meer weg.

In Nederland gaat het begin 19e eeuw economisch slecht en veel mensen zijn zo arm dat ze niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De overheid is bang dat grote armoede de stabiliteit van het land in gevaar zal brengen. De oplossing wordt gezien in erkverschaffing. Wie zichzelf niet kan bedruipen, wordt op het platteland te werk gesteld in zogenaamde opvoedings- en dwangkolonies als Veenhuizen. Binnen deze dwangkolonies wordt de mens met orde en tucht heropgevoed tot een deugdzaam mens. Ikzelf slaap op een zaal met ruim tachtig kinderen en in de meeste bedden liggen we met z’n drieën naast elkaar. We krijgen alle werkdagen onderwijs. Gelukkig vind ik rekenen erg leuk om te doen, het gaat mij goed af. Maar de meeste tijd moeten we werken in de keukens of op het land. Als ik twaalf jaar ben, mag ik van mijn leraren werken op de administratie van de ‘Maatschappij’. Ik val op door mijn talent voor rekenen en organiseren. De administratie kent al snel geen geheimen meer voor mij. Ik weet met een paar simpele ingrepen, veel kosten te besparen. Door mijn rekengave ontloop ik het strenge regime van de kolonie.

De meeste kinderen en volwassenen zijn bijna de gehele dag onder strikt toezicht actief op het land. Een ander privilege dat ik verworven heb is dat ik regelmatig mee mag naar plaatsen buiten de kolonie van Veenhuizen. Dit mag ik wanneer de oogst van het land van de kolonie verkocht wordt op de markten van Roden, Norg en Donderen. Zo leer ik de omgeving en de boeren steeds beter kennen. Ik ontdek dan ook dat Veenhuizen wordt gebruikt om de grootste maatschappelijke probleemgevallen te dumpen. Het gevolg is dat de kolonie overstelpt wordt met mensen die de zware arbeid op het land niet aankunnen. Daarnaast is bepaald dat de ‘Maatschappij’ niet mag concurreren met bedrijven in het westen van het land. Dit betekent dat het overschot van in Veenhuizen geproduceerde producten alleen op de markt verkocht kan worden zonder enige winst. Ik besef dat ik dit beter kan.

Als ik 16 jaar wordt ben ik het tehuis ontgroeid. De ‘Maatschappij’ vindt dat ik op eigen benen kan staan. In drie jaar na mijn vertrek uit de kolonie weet ik met handel in granen een vermogen te sparen van maar liefst 1.000 gulden. Ik koop vervolgens van dit verdiende geld een boerderij in de buurt van Roden. Daarna verdien ik met de handel in rieten manden, granen, groenten, hop en fruit veel geld. Zo verkoop ik de hop die rondom Roden en Peize wordt geteeld. Deze lever ik aan verschillende bierbrouwerijen in Groningen. Door mijn handel van diverse producten leer ik de familie Kymmell, eigenaar van Havezathe Mensinge, in Roden kennen. Deze invloedrijke familie bezit veel belangrijke taken en functies in Drenthe. Eén van de belangrijkste taken is het innen van belastingen. Door mijn reputatie van een goede handelaar en mijn goed rekenvaardigheden mag ik gelukkig veel financieel werk voor ze doen. Dat brengt ze geen windeieren. Het vertrouwen groeit en zo wordt ik ook financieel raadsman van de familie Kymmell. Het zijn echte zakenmensen maar met een hart van goud. Ze doneren regelmatig grote sommen geld aan de armlastige ‘Maatschappij van Weldadigheid’. Zo mogen steeds meer bewoners van de ‘Maatschappij’ komen helpen met de verbouwing van Havezathe Mensinge. Ook bij de ontginning van de omringende veengebieden worden ze ingezet. Grote oppervlakten veen en woeste gronden worden beplant met fruitbomen, maar ook met productiebossen. Zo ontstaat onder andere het Mensingebos nabij de Havezathe Mensinge. Bewoners van de ‘Maatschappij’ krijgen meer dan een redelijke vergoeding voor het zware werk. Iedereen wil daarom graag bij de familie Kymmel komen werken. In drie jaar tijd kun je een klein boerderijtje bij elkaar sparen.
Deze kleine keuterboerderijen vind je nu nog terug in het landschap rondom Roden, Roderesch en Peize. Mensinge-boerderie worden ze ook wel genoemd. De familie Kymmell was zeer geliefd bij de boeren in de regio, ze betaalden altijd een goede prijs voor het werk en de aangeleverde producten. Als je slecht over de Kymmells sprak hoefde je niet op steun te rekenen en moest je oppassen dat je niet van het land werd verjaagd. Niet alleen in Noord-Nederland maar ook in Den Haag speel ik, via de familie Kymmel, een steeds belangrijkere rol als financieel adviseur. Ministers en grote ondernemers vragen mijn advies. Maar het liefst werk ik toch op het landgoed Mensinge zelf. Ik werk de meeste dagen van het jaar op Mensinge en weet hier de handel door te laten groeien. Geld genoeg dus om woeste gronden en landerijen in de regio te kopen voor landbouw en fruitteelt.

Met de goede contacten van de familie Kymmel en mijn financiële inzicht, ontwikkelen we ook een handelsmaatschappij van omvang op landgoed Mensinge. We doen niet alleen regionaal handel, maar ook met handelaren in binnen en buitenland, tot in China aan toe. Een bewijs hiervan vind je nog steeds in het museum van Mensinge, waar oude Chinese vazen staan opgesteld. Verschillende bankiers komen bij ons op bezoek, zij willen zaken met ons doen. Havezathe Mensinge is een plek geworden waar niemand zal vermoeden dat hier één van de meest omvangrijke handelstransacties van Europa plaatsvinden.

Voor de expansie van de activiteiten van de familie Kymmell, werkten de meeste boeren hier nog kleinschalig. Ze waren alleen maar ingesteld op oogsten voor eigen gebruik. Dat hebben we aardig weten te veranderen. Ik betaal de boeren als ze naast hun eigen gewassen ook verschillende fruitbomen aanplanten, ook delen ze dan mee in de winst van de fruitverkoop. Boeren leggen daarom steeds meer boomgaarden aan. Hierdoor groeit in de regio om Roden, Norg en Veenhuizen de handel in fruit sterk. In de nabijheid van het dorpje Eén, laat ik de eerste grote boomgaard aanleggen. Zo komt dit gehucht aan zijn naam. Mijn initialen (AM) heb ik op verschillende plaatsen in de gevels van boerderijen laten metselen. Als je goed kijkt, kom je ze nog steeds tegen als je door de dorpjes fietst. Zo ook In het dorp Westervelde. Hier heb ik samen met de adellijke familie Tonckens één van de mooiste boerderijen van het Noorden kunnen bouwen. Het ligt nabij het enige oerbos van Nederland, het Tonckensbos, ten zuiden van Norg. Een unieke boerderij met een uniek bos in een toch al prachtige groene omgeving. De meeste boomgaarden heb ik laten aanleggen bij de dorpjes Één, Peest en Donderen. Ondanks dat bijna alle boomgaarden in de regio Roden ondertussen zijn gerooid, zijn de dorpen nog steeds prachtig in het groen gelegen. Als je langs de boerderijen in deze dorpen fietst moet je de boeren maar eens vragen naar een ‘Arthuur peer’ of ‘Arthuur appel’, de meesten zullen je eerst vreemd aankijken en net doen alsof ze het niet kennen. Maar vraag je even door dan komt een glimlach op hun mond en een bevestigende knik met het hoofd.

Arthuur, Steenmeester van de Hondsrug

Een flinke windvlaag zorgt dat het topje van de mast van het schip waarmee ik vlucht niet meer zichtbaar is voor de Franse soldaten die mij zoeken. De Fransen hebben wat met mij te verrekenen. Mijn naam is Arthuur Bot.
Ik kom uit een familie van botvissers, zo is mijn naam ook gelijk verklaard. Anders dan mijn naam zou suggereren, ben ik niet opgegroeid aan de kust, maar in het prachtige Drentse brinkdorp Anloo dat omgeven wordt door bossen, essen en heidevelden. Mijn vader had absoluut geen trek om de zee op te gaan en besloot als enig familielid geen botvisser te worden.
Hij had de voorkeur boer te worden op het Drentse land. Na een zwerftocht naar interessante locaties voor een boerderij, kwamen we terecht in Anloo. Een oud klein Drents dorpje dat op één van de zandruggen ligt die onderdeel uitmaken van de Hondsrug.

In de zeventiende en de achttiende eeuw liggen op de Hondsrug, tussen Groningen en Coevorden één van de belangrijkste handelsroutes van het Noorden. Deze bestaan dan alleen nog maar uit zandwegen. Daardoor is de route niet altijd even gemakkelijk. Links en rechts van de handelsroutes liggen grote ontoegankelijke veengebieden. De Hondsrug is een woest gebied, waar je als handelaar te maken krijgt met vele uitdagingen. Smalle zandwegen met talloze kuilen en diepe karrensporen. Het risico is groot dat je met je wagen vast komt te zitten of een gebroken wiel op loopt. Als je als reiziger het geluk hebt hiervan verschoont te blijven, dan is de kans aanwezig dat je wordt beroofd door de bendes die deze streek onveilig maken. Gezag is hier vaak ver te zoeken. Als de handel met de stad Groningen rond 1750 toeneemt worden de handelskarren, groter en breder. Waren de handelsroutes al moeilijk begaanbaar, de meeste wegen zijn al helemaal niet berekend op nog grotere en zwaardere karren. Tot wanhoop van veel handelaren komen zij bij slecht weer vaak vast te zitten in de drassige en blubberige wegen. Zelfs met vier tot zes paarden voor de karren is het vaak geen doorkomen aan. Een opstopping levert soms grote chaos op. De veekuddes die meestal óók over deze routes lopen, komen stil te staan en de dieren raken dan compleet in paniek en vluchten. Dat hierdoor al heel wat slachtoffers zijn gevallen laat zich raden. Als de karrensporen te diep zijn, moet de koetsier op zoek naar een ander spoor. (Het gevolg hiervan kun je tegenwoordig nog goed zien, op het Balloërveld. Hier zijn nog vele oude karrensporen zichtbaar).

De eigenaren van de gronden, de Boermarken (samen- werkingsverband tussen boeren) in bijvoorbeeld Anloo, Haren, Zuidlaren en Vries en hebben een groot probleem. De kwaliteit van het wegenstelsel over hun gronden is zeer belabberd en berucht bij de handelaren. Velen weigeren dan ook de tolgelden te betalen en eisen van de Boermarken een beter wegdek. Met de aanleg van nieuwe kanalen als het Stadskanaal en Drentse Hoofdvaart ontstaat ook nog eens geduchte transport concurrentie van de trekschuit. Onder druk van niet betalende handelaren en de concurrentie van de trekschuit buigen de betrokken boeren zich over een oplossing. Betere wegen kosten geldt, maar verhogen de inkomsten van de tolgelden. Niets doen brengt minder inkomsten uit de tolgelden. Ik, Arthuur Bot, ben daarom gaan experimenteren met stenen en keien die ruim voorhanden zijn op de Hondsrug. Met gevonden veldkeien heb ik eerst op mijn erf een lang pad aangelegd met veldkeien. Eén dag spitten levert mij al gauw twintig kruiwagens met veldkeien op. Deze kan ik goed gebruiken voor het bestraten van mijn pad. Het eerste gedeelte dat ik recht had gelegd was binnen een paar weken alweer aan vervanging toe. Vooral mijn zware karren met hun enorme wielen vernielden mijn keienpad. In een mum van tijd had ik het totaal kapot gereden. De oplossing, die ik na vele pogingen heb ontdekt, is dat je een keienpad rond moet aanleggen. Water loopt zo gemakkelijker van het pad af. Maar wat nog veel belangrijker is, dat het wegdek zo veel beter bestand is, tegen het zware transportvervoer. De stenen blijven zo goed in het verband liggen.

Mijn oplossing is inmiddels niet onopgemerkt gebleven bij de Boermarke van Zuidlaren. Zij vroegen mij of ik een eerste stuk verharde weg wil helpen aanleggen tussen Zuidlaren en Haren. Ze moeten wel, want ondertussen is de toegang tot Groningen en zijn Ommelanden over land zo belabberd, dat steeds meer handelaren afzien de route over het land te nemen. Zij verkiezen de trekschuit. Omdat de inkomsten van de tolheffing zo razendsnel teruglopen dreigen de Boermarken in financiële problemen te komen. Mijn ervaring met het aanleggen van een keienweg wordt meer en meer gevraagd. Maar de drassige veengronden in het beekdalgebied tussen Assen en Groningen, maakt dat de aanleg van een keienweg hier een uiterst lastige klus is. Eigenwijs als boeren kunnen zijn, leggen ze het eerste deel van de weg niet bol maar recht. Ja hoor, je kunt er op wachten, dat dit stuk weg binnen een paar weken al niet meer bruikbaar is. Het werd een puinhoop. Vele keien zijn door de zware handelskarren kapot of diep in het drassige veen verdwenen. Gelukkig nemen de meeste boeren mijn advies later wel ten harte en leggen ze de weg wel bol en op een zandbed. Het is wel meer werk, maar de weg blijft perfect liggen.

(Bij Anloo en Haren zijn nu nog kleine stukjes keienweg te vinden. Een groot gedeelte van mijn eerste keienweg ligt nu op de bodem van het Zuidlaardermeer. Het water mag dan van het land hebben gewonnen de weg ligt er nog steeds. Het Zuidlaardermeer is ontstaan door de wisselwerking tussen veengroei en eb en vloed van rivier de Hunze, die toen nog onder invloed stond van de getijden. Door stijging van de zeespiegel werd de plaatselijke veenlaag weggeslagen en ontstond een steeds groter Zuidlaardermeer).

Het succes van deze keienweg bij Zuidlaren maakt dat andere Boermarken mij ook vragen te helpen bij de aanleg van verharde wegen. Met mijn ervaringen weet ik de techniek van aanleg te verbeteren. De veldkeien laat ik niet meer met een kruiwagen van de Hondsrug halen, maar met vele karren tegelijk. Een zware walskar zorgt voor een stevige en gelijkmatige ligging van de duizenden veldkeien. Voor ophoging van wegen halen we zand van de Hondsrug. Zo ontstonden hier in de regio verschillende kleine en grotere waterplassen. Steeds meer Boermarken op de Hondsrug doen een beroep op mij. Ze zien dat de investeringen in een goede verharde weg geld opbrengen en dat je met verharde wegen veel minder onderhoud aan je wegen hebt. Zo ontstond door mijn toedoen, binnen vier jaar tijd tussen Coevorden en Groningen een van de best bereidbare wegen van heel Nederland. Door mijn kennis van wegenaanleg met keien en de handel in “Drentse” keien verdien ik ondertussen een dik belegde boterham. Onuitputtelijk is de Hondsrug als stenen en keienbron. Hier verzamelen en kloppen honderden boeren voor mij de stenen, die we gebruiken bij onder andere de wegenaanleg. Ik transporteer namelijk inmiddels ook grotere stenen naar andere delen van het land, waar ze worden gebruikt bij de aanleg van wegen, maar vooral ook in de aanleg van dijken. Dat verklaart mijn bijnaam “Steenmeester van de Hondsrug”.

Ik had nooit kunnen bedenken dat de legers van Napoleon tijdens de bezetting van Nederland dankbaar gebruik zouden maken van ‘mijn’ wegen. Ook leverden de keien en de wegenaanleg mij geen fortuin meer op, maar gingen ze me zelfs geld kosten. Tijdens de bezetting door Napoleon worden belastingen geheven. Ik kreeg een zeer forse aanslag. Een vermogen, waarvan ik gemakkelijk de rest van mijn leven, zorgeloos, had kunnen leven. Omdat ik niet aan mijn financiële verplichtingen kon en wilde doen, besloot ik te vluchten. Ik liet mijn naam veranderen van Arthuur Bot in Berend Botje. De rest is een bekende geschiedenis. Ik ging uit varen. Ik vertrok met een boot uit Zuidlaren om op wereldreis te gaan. Zoals bekend kwam ik nooit weer weerom. Toch miste ik de Hondsrug en kwam daarom af en toe incognito terug om te verblijven op de voor mij vertouwde Hondsrug op een geheime plek. Welke plek dat is? Dat kun je zelf ontdekken. Het standbeeld van mij Berend Botje alias “Steenmeester van de Hondsrug” en de diverse keien in de regio geven deze plek aan. Ga daarom fietsen met Arthuur en ontdek wellicht de geheime plek van Berend Botje.