Routeverhalen Drenthe

Arthuur, Lekenbroeder van Smalbroek

Met een klap van mijn vuistbijl op het hakblok vel ik het oordeel over de vermeende misdadiger en veroordeel hem tot een werkstraf, het graven van een ontwateringssloot in het veen.Hallo, mijn naam is Arthuur. Ik ben een lekenbroeder verbonden aan het Cisterciënzer nonnenklooster “Mariënkamp” in Assen, in het jaar 1294. Als lekenbroeder heb ik wel de gelofte van mijn orde afgelegd, maar dan zonder verdere kerkelijke inwijding en plichten. Ik ben een doener en het leven van een cisterciënzermonnik vind ik te passief. Met andere lekenbroeders beheer en bewerk ik daarom vanuit verschillende boerderijen in het graafschap Drenthe de kloostergronden van Mariënkamp. Dat zijn de akkers, tuinen, bossen, landerijen en veengebieden in eigendom van het klooster. Ik bewerk, ontgin, bewaak de gronden en buurtschappen van het klooster “Mariënkamp” ten zuiden van Assen. Een lekenbroeder is niet vies van het zware handwerk op de hoeves: de ‘uithoven’, zoals ze ook wel worden genoemd. Ik werk en woon op een plek waar het land bijna nog niet is ontgonnen. Het is een groot en woest gebied tussen Assen, Smilde, Beilen en Westerbork. In dit gehele gebied wonen in mijn tijd niet meer dan een paar honderd mensen, maar ze kennen me allemaal. Ook degenen die hier niet wonen maar mijn gebied onveilig willen maken, krijgen met mij te maken. De letter -A- is al bij velen bekend en heeft indruk gemaakt.

‘Grondontginning’ is een woord waar in mijn tijd nog weinig mensen van hebben gehoord of ervaring mee hebben. Mijn orde van cisterciënzers heeft een goede naam op het gebied van landbouw, veeteelt en landontginning. In Nederland zijn we daarmee begonnen aan de randen van Friesland. Met de kennis van mijn collega ordeleden hebben we verschillende technieken uitgeprobeerd om het water aan het veen te onttrekken. We hebben al flink geëxperimenteerd. Ook wij cisterciënzijnse lekenbroeders staan daarom bekend om de praktische kennis over het inpolderen van land en het ontginnen van veengebieden. Grote veengebieden ten westen en zuiden van Assen maken het gebied zeer moeilijk toegankelijk. Voor een reiziger vanuit Friesland is het bijna geen doorkomen aan. We gebruiken alleen een paar al lang bestaande veenwegen. Deze zijn vermoedelijk al in de prehistorie aangelegd. De hier gelegen veenwegen of knuppelwegen zijn paden die opgebouwd zijn uit boomstammen die horizontaal aan elkaar werden gelegd. Recent is in jullie tijd in de buurt van Smilde een reconstructie gemaakt van één van deze veenwegen. De slecht onderhouden veenwegen zijn de oorzaak dat regelmatig ossenkarren, maar ook mensen door deze veenwegen of knuppelwegen in het daar onderliggende verraderlijke moerasveen verdwijnen. Nieuwe wegen aanleggen over het veen is geen optie ook deze zakken weg in het veen. Daarom zijn wij lekenbroeders begonnen met het aanleggen van sloten, wijken, dijken en molens, zodat het water uit het gebied kan worden afgevoerd. Daardoor klinkt het veen in en krijgt het draagvermogen. Bijkomend voordeel is dat het gedroogde veen ook nog eens bouwmateriaal, brandstof en als waterfilter te gebruiken is. Het veengebied waar in jullie tijd de plaats Smilde ligt, hebben we al deels droog gelegd.

Als cisterciënzer kloosterlingen hebben we een belangrijke ontdekking gedaan. Een ontdekking die zeer belangrijk is geweest voor de ontwikkeling van het landschap van Drenthe. Schapenmest gecombineerd met heideplaggen of gedroogd veen heeft dankzij ons, een aantal kale woeste zandgronden ten zuiden van Assen behoorlijk vruchtbaar gemaakt. Het is daarom aan de zuidkant van Assen al veel beter wonen dan aan de oostkant. Vanuit het oosten teisteren bij harde oostenwind zandstormen nog regelmatig het dorp Assen. Overontginning van de woeste heidegebieden ten behoeve van de landbouw zonder schapenmest zorgt voor zandstuifgebieden. De zandwegen die door dat gebied liggen zijn door de vele zandduinen vaak moeilijk begaanbaar of zijn compleet verwaaid.
Tja, het leven in mijn tijd is hard en vaak geen pretje. In onze kleine boerengemeenschappen ben je op elkaar aangewezen. Je leeft geïsoleerd en je moet het met elkaar zien te redden. Wil je overleven, dan moet je wel samenwerken. Hierdoor zijn hechte gemeenschappen ontstaan, die vaak wel met veel argwaan naar vreemden kijken. Conflicten binnen onze hechte gemeenschappen proberen we zoveel mogelijk te voorkomen, maar dat lukt helaas niet altijd. Handhavers van de wet zijn niet in de buurt. Het gebied is groot en moeilijk toegankelijk. De “Etstoel” is in Drenthe ons enige rechtsorgaan. Deze middeleeuwse rechtbank werkt vanuit de plaatsen Anloo en Rolde, maar de rechters hebben vanuit deze twee plaatsen weinig zicht op dit grote gebied van het graafschap Drenthe. Bewoners zijn altijd druk met het bewerken van het land. Desondanks ontstaat soms toch strijd tussen de dorpen en buurtschappen. Omdat weinig officieel is geregeld, zijn regelmatig conflicten over land, water, het onderhoud van de wegen, het eigendom van het vee en het land. Op een dag vroegen inwoners van mijn buurtschap aan mij of ik als lekenbroeder ’rechter’ wilde zijn, om in een conflict een beslissing te nemen. Als ‘verlicht’ kloosterling heb ik aanzien bij de dorpsbewoners. Gelukkig adviseren de nonnen van het klooster Mariënkamp mij als ik niet goed weet hoe ik iets moet aanpakken. Ook de dorpen Witten, Brunsting, Hijken en Westerbork hebben mij gevraagd om toezicht te houden op de gang van zaken in hun gebied. Ik hou niet alleen toezicht, maar spreek ook vonnis uit, als een misdaad is gepleegd en de vermeende dader is gepakt.

Bijvoorbeeld, op de eenzame heide tussen Holthe en Makkum en op één van de twee veenwegen bij Smilde vinden regelmatig berovingen plaats. Reizigers die door dit grote woeste gebied trekken, worden dan beroofd van’have en goed’: hun dieren en spullen. De broers Evert en Barend zijn een berucht roversduo in Drenthe waar bijna iedereen bang voor hen is. Op een dag worden ze door mij op heterdaad betrapt. Ze waren een handelsreiziger uit Coevorden op de veenweg naar Friesland aan het beroven. De arme man overleefde maar net de slagen op zijn hoofd. Gelukkig waren de broers lang zo sterk niet als de verhalen die verteld worden. Met mijn zwaard en vuistbijl, kon ik ze gelukkig al snel overmeesteren. Ter plekke heb ik het vonnis uitgesproken en ze veroordeeld tot de galg. Twee maanden hebben hun lijken in het Hijkerveld aan de galg gehangen. Bij rechtspraak in mijn tijd is het niet ongewoon om een vonnis snel uit te spreken en ook direct uit te voeren. Bedelaars en zwervers worden meestal tot tien zweepslagen veroordeeld en daarna direct het dorp uitgejaagd. Je moet een voorbeeld stellen is mijn overtuiging. Daarna trekken ze met een grote boog om de onder mijn toezicht staande buurtschappen en de dorpen heen. Met diefstal ga ik niet lichtvoetig om. Het stelen van vee of graan kan betekenen dat iemand kan verhongeren. Vingers of zelfs een hele hand afhakken vind ik dan ook een hele normale straf. Je hoort niemand klagen over deze zware straffen, ze worden zelfs toegejuicht. Maar liever veroordeel ik ze tot een werkstraf, want dan kunnen ze voor ons aan het werk.

Als lekenbroeder heb ik al aanzien, maar door mijn sterke handhaving van de orde, dwing ik ook respect af. Bewoners van ‘mijn’ gebied kijken tegen mij op. Mijn forse postuur en mijn lengte van bijna twee meter zullen daar ook wel mee te maken hebben. Mijn gelofte van orde aan het klooster had meerdere betekenissen. Ik woon met toestemming van het klooster met mijn vrouw en zes kinderen in een boerderij in Smalbroek. Als lekenbroeder, heb ik verschillende functies. Ik ben verlicht monnik en daarmee geestelijke, politieman, rechter, beul, maar vooral landbouwarchitect en dat bevalt mij goed. Niemand maakt van de vermenging van deze taken een probleem. Als niet ‘gewijd’ kloosterling ben ik niet bang om mijn handen vuil te maken en als het moet, laat ik mijn vuisten spreken. Maar de macht van het woord heeft een veel beter effect. De mensen zijn mij dankbaar en tonen dat ook. In jullie tijd lijkt het vreemd en wonderlijk dat ik zoveel verschillende petten droeg. Maar het werkt wel goed. De meeste mensen hebben niet genoeg kennis, inzicht en contacten. Als geestelijke heb ik toegang tot een groot en goed georganiseerde kloosterorganisatie die mij met raad en daad terzijde staat. Ik heb ontdekt dat kennis macht is.

Dat ik als lekenbroeder het recht heb een leven te beëindigen, is in mijn tijd normaal. Niemand heeft daar moeite mee. Dat komt omdat leven en dood bij ons heel dicht bij elkaar staan. Door de afscherming van het graafschap Drenthe door het vele ontoegankelijk veen, zijn bewoners hier veel meer met elkaar en de natuur verbonden, dan in veel andere gebieden. Als wij op pad zijn, zien wij onderweg regelmatig lichamen aan een galg hangen. Het klinkt misschien vreemd, maar voor ons zijn het een soort reclameborden. Goed zichtbaar geplaatst, als een waarschuwing voor iedereen die dacht in een woest maar rechteloos gebied te zijn terechtgekomen. De inwoners van Drenthe leefden in de middeleeuwen ver en geïsoleerd van allerlei kerkelijke, rechterlijke en wereldlijke machtscentra. Ze moesten eeuwenlang grotendeels hun eigen zaken regelen. Ze leefden in harde tijden en dat vroeg ook om een streng optreden als mensen zich niet sociaal gedroegen. Zo ontstond de cultuur van naoberschap: een traditionele burenhulp die nog steeds bestaat in de verschillende Drentse dorpen. Let maar eens op, als je een Drents brinkdorp binnengaat, dan zie je vaak nog één of meerdere brinken als gemeenschapsruimten omzoomd door veel oude bomen. Op de plek in de dorpen waar ik vaak rechtspraak deed kun je nu nog soms in de bomen een – A – van Arthuur terugvinden. Daarmee heb ik bij veel mensen indruk gemaakt. Zo ook bij de door mij zojuist veroordeelde misdadiger.

Arthuur, Steenheer van De Hondsrug

Mijn voormalige steenhandel en de nalatenschap daarvan kun je heden ten dage nog altijd vinden in Drenthe. Een nalatenschap en aanwezigheid voor de eeuwigheid. Ik woon en werk op de Drentse Hondsrug in het jaar 1856. Ik ben door handel in stenen een welgesteld burger geworden. Stenen in alle soorten en formaten zijn mijn handel. Mijn naam is dan ook Arthuur, Steenheer van De Hondsrug, ook wel bekend als ‘Heer van Steen.’ Die naam heb ik niet voor niets verworven. Ik woon in het dorpje Drouwen dat gelegen is tussen Borger en Gasselte. Hier ben ik al ruim twintig jaar handelaar in stenen. Eerst handelde ik in turf, maar de handel in de verschillende stenen brengt veel meer op. De vraag naar mijn stenen groeit nog steeds en wekelijks verkoop ik duizenden stenen. Mensen hebben mijn stenen nodig voor de bouw, bestrating, versterkingen, hun gezondheid en geluk. Velen geloven in de geneeskrachtige werking van mijn bijzondere stenen. Ze geloven dat deze geluk en voorspoed brengen. De meest waardevolle stenen vind ik op de Drentse Hondsrug.

In mijn tijd ligt Drenthe nog vol met keien. Vooral op de hogere Drentse zandgebieden vind je ze in overvloed. Overal waar je daar gaat of staat, zie je ze liggen. Je zou je benen nog eens kunnen breken als je niet goed oppast waar je loopt. Deze keien heten ook wel zwerfstenen of flinten. De meeste keien zijn van graniet en komen in ontelbare variaties voor. Ongeveer 150.000 jaar geleden, toen de voorlaatste ijstijd op zijn koudst was, lag heel Noordwest-Europa onder een dik pakket landijs van soms wel één kilometer dik. Dat ijs sleepte uit Scandinavië geweldige massa’s leem, zand, grind en ook heel veel keien mee naar Drenthe. Die zijn hier blijven liggen toen het klimaat warmer werd en het ijs begon te smelten. Miljoenen keien en stenen zijn zo in het Drentse landschap blijven liggen.

In de prehistorie konden mensen met eenvoudige middelen al zeer hoogwaardig met steen omgaan. Dat blijkt wel uit de vondsten van hun gereedschappen bij Drouwen en de door hen gemaakte beelden bij Ees. De mensen die voor mij werken, vinden tussen de keien regelmatig stenen speerpunten. Steeds meer historici zijn in die vondsten geïnteresseerd. Vooral voor de grote onbeschadigde voorwerpen willen ze grof geld betalen. Het zoeken naar de hele grote veldkeien is het werk van specialisten. De ‘steenroders’, zoals we deze mensen noemen. Zij zijn specialisten in het vinden van keien. Zij lopen over onder andere het Balloërveld, het Meindersveen, het Gieterseveld, Drouwenerveld en het Buinerveld. Keien vinden ze door met lange dunne ijzeren pennen in het zand te steken. Voelen ze weerstand, dan wordt gegraven. Zo komen soms hele grote zwerfkeien te voorschijn. In de dorpen Gasselte, Grolloo, Eext en Eesergroen werken voor mij ongeveer 500 steenkloppers. Het bewerken van de keien is behoorlijk arbeidsintensief. Met hun grote gereedschap breken de steenkloppers grotere keien in kleinere stukken. Die kleinere keien zijn namelijk interessanter voor de verkoop. Je kunt ze voor veel meer zaken gebruiken dan de grote. Met zware hamers proberen mijn mensen de grotere stenen te breken. De allergrootste keien laten ze zelfs met buskruit uit elkaar springen. Dit grove werk wordt vooral tijdens de wintermaanden gedaan door boerenknechten. Zij hebben dan op het land veel minder werk te doen. Maar ook vrouwen en kinderen helpen vaak mee met het breken van de keien. Zo verdient iedereen een klein zakcentje mee verdienen.

Drentse boeren vinden die stenen in de grond alleen maar lastig als ze het land bewerken. Landbouwgereedschap gaat erop kapot en bij het ploegen raken paarden gewond. Omdat overal zoveel keien aanwezig zijn, geloven velen zelfs dat die stenen gewoon in de grond groeien, want elk jaar weer blijven de boeren keien in de grond vinden. Zelfs ook als ze een jaar daarvoor alle keien zorgvuldig hadden opgeruimd van een geoogst perceel.In de waan dat keien overal voor gebruikt kunnen worden, hebben we een paar jaar geleden geprobeerd in Gasselte een kerk van keien te bouwen. Dat was geen goed idee. Door de hardheid van de keien en omdat ze rondingen hebben, zijn ze als bouwmateriaal voor gebouwen niet echt geschikt. Dat hebben we zelf mogen ervaren. We zaten met de bouw van de muren van deze kerk al op een hoogte van zo’n vijf meter toen deze instortten. Als bouwmateriaal van complete gebouwen kun je ze beter laten liggen, weten we nu uit ervaring. Als funderingsmateriaal voor kerken en boerderijen zijn ze nog bruikbaar, maar vooral als bestratingsmateriaal kun je juist prima keien prima gebruiken. Zo ook voor verharding van boerenerven en wegen. Dat keien prima bestratingsmateriaal is, kun je letterlijk nog op veel plaatsen in Drenthe ervaren. Zo liggen ‘mijn’ keien nog altijd in verschillende ‘keienwegen’ die in Drenthe nog aanwezig zijn, zoals in de Boswachterij Exloo, tussen Ees en Exloo.

De steenroders hebben concurrentie gekregen van ontginningsfirma’s. Zij ontginnen de Drentse Heidevelden en transformeren deze in bouwland. Grote hoeveelheden keien komen tevoorschijn bij deze ontginning. Om je een beeld te geven van de hoeveelheid keien die daarbij worden opgegraven, hier een voorbeeld. Bij het dorp Anderen komen bij de ontginning van een heideveld tot bouwland op een oppervlakte van ongeveer 100 vierkante meter soms maar liefst meer dan 5000 kg. stenen tevoorschijn! De vele kleine zwerfstenen, die zo groot zijn als een babyhoofd, worden bij de ontginning door de arbeiders apart gehouden, gesorteerd en verkocht. Ze worden gebruikt om keienwegen mee aan te leggen. Drenthe kent ook in jullie tijd nog steeds vele kilometers van deze wegen. De keien in deze wegen worden ook wel ‘kinderkoppies’ genoemd.Nu ik weet dat je van keien geen gebouwen moet gaan maken, ben ik op zoek gegaan naar nieuwe afzetmarkten. De aangroei van de Nederlandse kust door inpoldering en de gewenste verbetering en versterking van de dijken, levert mij nieuwe kansen op die ik graag pak. Ik lever dan ook steeds meer keien voor de bekleding en versterking van dijken. Mijn handel in veldkeien is daardoor ‘booming business’ geworden. Ik kan mij nu zelfs een paar mooie grote herenhuizen in Assen, Borger en Gieten veroorloven. Uiteraard niet gebouwd van keien, maar van degelijk baksteen. De Hondsrug is voor mij een echte goudmijn. Of misschien kan ik beter zeggen een ‘keienmijn.’

Mijn succes in de steenhandel ontgaat ook anderen niet. Ik heb dan ook concurrentie gekregen van snelle jongens, die zich niet houden aan de regels van het stenen delven. Snelle winst in plaats van respect voor het culturele erfgoed van Drenthe, onze Hunebedden. Ik ben dan ook niet blij als ik hoor dat onze bijzondere Hunebedden steeds meer als gemakkelijke ‘steengroeve’ worden gebruikt. Ik begrijp ook wel dat het erg gemakkelijk is om bij deze historische objecten de grote veldkeien weg te halen. Ze liggen immers keurig bij elkaar en je hoeft dus niet lang te zoeken. De jongens die zo werken, kloppen deze reusachtige keien tot steengruis en verdienen op die manier snel een goed belegde boterham. Ze begrijpen niet welke waarde de hunebedden voor dit gebied hebben. Dat is jammer, want ik heb het gevoel dat de mensen deze hunebedden later een bijzonder geologisch erfgoed zullen gaan vinden. Als het zo door gaat zullen we over een aantal jaren een tekort aan stenen hebben en ook geen hunebedden meer. Al tientallen jaren delven we de keien op een bijna industriële wijze en dan wordt de voorraad straks snel kleiner. Ik heb al geruchten vernomen dat het transport van stenen uit Drenthe misschien wordt gestopt. Wij transporteren de meeste stenen nu met schepen naar het westen van het land. Daar zie je onze keien vaak terug als markering van grenzen, perceelsbegrenzing van tuinen, de verharding van wegen en erven en zelfs als kunstwerken en monumenten.

Naast mijn reguliere handel in keien, heb ik ook nog een handel in bijzondere stenen. Deze stenen zijn klein in omvang, maar zijn een nog veel winstgevender ‘steenhandel.’ Het gaat om het bijzondere barnsteen. Barnsteen is in mijn tijd zeer veel gevraagd en bijna niet aan te slepen. Het geloof in de geneeskrachtige werking ervan is zo groot dat een stukje barnsteen van twee vingers dik net zoveel kost als vijf schapen! Stenen met een gat erin staan bekend als ‘geestenstenen’. Veel mensen verzamelen de barnstenen en rijgen ze aan touwtjes. Deze kettingen worden dan opgehangen aan een deur of aan de muur. Geloofd wordt dat ze geluk en voorspoed zullen brengen, maar ook dat ze heilzaam zijn. Barnstenen worden gekoesterd om hun vermeende geneeskrachtige werking. Ze worden gebruikt als bescherming tegen epilepsie, angsten, vergif, bloedingen en nierkwalen en nog heel wat meer ongerief. Van de barnstenen met gaten erin wordt zelfs beweerd dat ze een levensverlengende werking hebben Ik draag mijn barnstenen al 15 jaar bij me en ik heb vanaf die tijd geen enkele dag gezondheidsklachten gehad. De barnsteen en de veldkeien hebben mij alleen maar geluk en voorspoed gebracht. Vandaar mijn naam, Arthuur, Steenheer van De Hondsrug.

Aan mijn reputatie en stand verplicht als Steenheer heb ik op mij opgeworpen als beschermheer van ons Drentse culturele erfgoed, de hunebedden. Zo heb ik wel twintig hunebedden in Drenthe helpen herstellen in hun oorspronkelijke staat. Door goed naar kleurverschillen in steen te kijken heb ik de restauraties mooi kunnen laten uitvoeren. Let maar eens op de keien in diverse hunebedden in Drenthe. Als je goed zoekt bij gerestaureerde hunebedden kun je keien vinden met een kleine - A – inscriptie. Als een teken van mijn aanwezigheid en nalatenschap aan Drenthe. Voor de eeuwigheid.